FELIX HOUPHOUET- BOIGNY; Vader van het mirakel

NAIROBI, 8 DEC. Afrika rouwt om de dood van de Grote Oude Man. Félix Houphouët-Boigny was de langstzittende heerser van het moderne Afrika. Hij was tevens, ondanks kritiek op zijn neo-koloniale economische en politieke beleid, een van de succesvolste. Zijn gezag was overweldigend, zijn regime werd nooit serieus bedreigd.

Officieel werd Houphouët-Boigny geboren op 18 october 1905, in werkelijkheid enige jaren eerder. Officieel is hij sinds gisteren dood - volgens een lid van de familie verzocht Houphouët zijn dokters zijn leven op de onafhankelijkheidsdag te beëindigen -, in de praktijk was hij al enkele maanden doodziek en niet in staat te regeren. De president kon niet opstappen, hij achtte zich onmisbaar.

Houphouëts politieke loopbaan begon 1944 toen hij werd gekozen tot voorzitter van de vereniging van rijke Afrikaanse plantagehouders. Hij kwam uit een welgestelde familie: zijn vader bezat plantages en was stamhoofd van de Baoulé. Een jaar later won Houphouët een zetel in de Franse grondwetgevende vergadering als een van de vertegenwoordigers van de Franse overzeese gebieden en vanaf 1956 was hij tevens minister in de Franse regering.

Houphouët voerde actie tegen gedwongen arbeid op de Ivoriaanse plantages. Tot 1951 ging hij voor dit doel in het Franse parlement een verbond aan met de Communistische partij. Een radicaal is Houphouët echter nooit geweest. Hij leidde het onafhankelijkheidsstreven met zijn in 1946 opgerichte Parti Démocratique de la Côte d'Ivoire (PDCI) in uiterst rustig vaarwater. Door zijn grote gezag op het politieke toneel ontstonden er in Ivoorkust geen revolutionaire onafhankelijkheidsbewegingen, zoals in Kameroen of Ghana. Integendeel: in 1958 verklaarde Houphouet zich zelfs tégen onafhankelijkheid. De PDCI streefde een gelijkwaardiger relatie na met Parijs in de context van een Franse hegemonie. Houphouët was Frankrijks beste bondgenoot in Afrika.

Na de onafhankelijkheid in 1960 wilde zijn regering aanvankelijk geen eigen vlag voor Ivoorkust. De Franse vlag zou meer buitenlandse investeringen aantrekken. Houphouët maakte de politiek ondergeschikt aan de economie. Onder de liberaalst mogelijke economische principes gooide hij het land open voor buitenlandse - vooral Franse - investeerders. Bij gebrek aan delfstoffen kwam de nadruk te liggen op agrarische export - cacao, koffie, hout, palmolie en ananassen - en industrialisering. De uitvoer van cacao en koffie groeide explosief en in 1978 was Ivoorkust Ghana voorbijgestreefd als grootste cacaoproducent ter wereld.

De zuiver pragmatische aanpak van Houphouët leidde tot relatief grote welvaart. De vooruitgang voorkwam sociale onrust en er ontstond nooit een sterke politieke oppositie. De bevolking schikte zich in zijn alleenheerschappij. Zolang het goed ging met de economie, glinsterde Houphouët-Boigny met zijn 'miracle Ivorien'.

De daling van de cacao- en koffieprijzen op de internationale markt in de jaren tachtig bracht de malaise. De vaart verdween uit de economie en de corruptie in regeringskringen ging opvallen, evenals de kloof tussen arm en rijk in de samenleving. Het paternalisme en het autoritaire beleid van Houphouët maakten weinig indruk op de jongere Ivorianen, zij hadden geen boodschap aan deze goedaardige maar strenge opa.

In de straten van Abidjan klonken de stemmen voor het aftreden van de inmiddels zeer bejaarde leider steeds luider. Houphouët wilde daar niets van weten. “In de cultuur van mijn Baoulé spreekt men nooit over de opvolging van de leider zolang deze nog leeft”, verkondigde de president. Aleen Frankrijk kon nog invloed om hem uitoefenen. Onder druk van Parijs voerde de afkerige Houphouët het meer-partijenstelsel in. Bij de eerste verkiezingen in 1990 behaalde hij, dankzij het hechte politieke netwerk van de PDCI, een overtuigende overwinning.

Ondanks zijn onaantastbare positie ging Houphouët niet aan uitzinnige grootheidswaanzin leiden zoals Banda in Malawi, Mobutu in Zaire of Eyadema in Togo, die zich bij voorbeeld als engeltjes op de televisie lieten afbeelden. Het kleine, bijna verlegen mannetje moest het hebben van zijn natuurlijke gezag en charme. Hij kon luisteren naar de grieven van de gewone man en liet zich daar soms door beïnvloeden. Hij liet zich niet snel verleiden tot het voeren van een repressief beleid. Nooit executeerde hij tegenstanders, zoals gebruikelijk is in Afrikaanse staten. Hij deinsde er niet voor terug zijn rivalen gevangen te nemen maar liet hen doorgaans na enige tijd als verzoenend gebaar weer vrij. Ivorianen hoefden niet in drommen asiel te zoeken in het buitenland. In tegendeel, miljoenen Westafrikanen stroomden naar Ivoorkust om er werk te zoeken.

Als negatieve erfenis van het bestuursmodel-Houphouët geldt de politieke en economische afhankelijkheid die hij creëerde voor Ivoorkust van Frankrijk. Achter menig Ivoriaanse minister staat een Fransman. Ook in het bedrijfsleven nemen de Fransen nog vaak de beslissingen.

De toegewijde katholiek Houphouët raakte in zijn nadagen geobsedeerd door het obscure streven zich een plaatsje in het hiernamaals te reserveren. Zelf zou hij zijn necrologie beginnen met wat hij als een van zijn grootste verdiensten zag: de bouw van de gigantische kathedraal Onze Vrouw van de Vrede in zijn geboortedorp Yamoussoukro. Terwijl de economie in een steeds diepere spiraal tuimelde, liet hij er een paleis bouwen omringd door een vijver vol met krodillen, een gastenverblijf van marmer, een hoofdkantoor voor de PDCI en een levensgrote replica van de Sint Pieter in Rome. Houphouët misbruikte voor de verwezelijking van deze droom ongetwijfeld overheidsfinanciën. De prijs van de in 1990 aan het Vaticaan geschonken kerk - vermoedelijk zo'n 200 miljoen dollar - heeft hij nooit bekend willen maken. “God houdt er geen boekhouding op na”, antwoordde de president op kritiek over de hoge kosten. Félix Houphouët-Boigny zal rusten in zijn Onze Vrouw van de Vrede.