Een rare droom

1

Er heerst iets van een vacuüm in huis.

Geruisloos zijn de jongens aan het werk.

Ze kijken, keuren, knikken - maar zo kuis

En koel en toegewijd als in een kerk.

De etsnaald gloeit. De pers gaat op en neer.

Verlangend wacht het lege schilderslinnen.

Houtskool zweeft langs, en verfkwast en fixeer.

Een vel papier wil door het raam naar binnen.

De jongens werken in hun tempel voort

Alsof er iets verhevens wordt volbracht.

Ze zien niet wat hun vroom tableau verstoort:

De chef zit op een hobbelpaard en lacht.

2

Hij lacht en kraait, en ik weet niet waarom.

De hele ruimte zuigt zich snel vol lucht.

De tempel broeit. De rollen draaien om.

Ernst en verhevenheid slaan op de vlucht.

De jongens gloeien zèlf. Hun adem zwoegt.

Ze kijken naar geen verf of houtskool meer.

Naald wordt bij naald en kwast bij kwast gevoegd

En vlammend gaan hun ruggen op en neer.

Het houten hobbelpaard lost op in rook.

Hun hitsigheid neemt toe. Dan is het uit.

De jongens, met een vaart, kreperen ook.

De chef zwaait met twee stokken en zingt luid.

3

Hij zingt en viert de langverwachte dood.

Zijn lied gaat over hoop en ijdelheid.

Die houdt hij in zijn tekst voor even groot.

(Daarom is hij de melodie soms kwijt.)

Dan val ik zelf uiteen. Ik voel me zwanger

Van virussen die aan het eten slaan.

Ik wil mijn arm uitstrekken naar de zanger,

Maar kan het niet. Mijn arm is half vergaan.

Wie reikt niet naar een man die luidkeels lacht,

Tronende op krukken op een dodenakker?

De chef, godlof, hij blaast me toe met kracht.

Vol moed en pit en merg word ik wakker.