De humor van een volk dat zich vooral serieus neemt

'Onzin' en 'een ontsporing', schrijft iemand op 26 mei. 'Weerzinwekkend', heet het op 2 juni. Op 7 juni: “Moet dit een grap voorstellen?” “Ik word er kotsmisselijk van”, schrijft een ander op 26 juni. Na zeven weken staakt Stern een serie cartoons die steeds op hetzelfde stramien berusten: de rollenomkering tussen mens en hond. Zo is er een hond te zien, die op twee poten zijn (keurig aangeklede) mens uitlaat en een eveneens keurig in het pak zittende vertegenwoordiger van de menselijke soort, die op handen en voeten een kudde schapen bij elkaar probeert te houden.

Humor is 'heel uitzonderlijk voor een Duitser', zei Tessa de Loo in deze krant onlangs tegen Reinjan Mulder. De reactie van de Stern-lezers in 1953 lijkt haar gelijk te geven. De problematische omgang van onze Oosterburen met humor heeft een lange traditie. In het boek Volk ohne Witz van Otto F. Best, die hoogleraar Duitse literatuur is aan de universiteit van Michigan, beschrijft de auteur dat het woord 'Witz' aan het einde van de zeventiende eeuw de betekenis kreeg van 'esprit', het talent voor de geestrijke conversatie. In de loop van de tijd is deze betekenis veranderd in de huidige betekenis van grap. De verandering van betekenis ging gepaard met een verandering van de waardering van de Witz. Best legt uit dat de Witz het slachtoffer werd van de nationalistisch getinte discussies over de tegenstelling tussen 'Kultur' en 'civilisation'.

Volgens Best, Elias en anderen moet de Duitse burgerlijke cultuur vooral begrepen worden in contrast met de Franse hofcultuur zoals die aan de vele Duitse vorstendommen aan te treffen was. Anders dan elders heeft er in Duitsland nooit een integratie tussen adel en burgerdom plaatsgehad. Het zinnebeeld van de Duitser is dan ook een burgerlijke sukkel met een slaapmuts op: der Michel.

Van de Frans georiënteerde hofwereld moest de burger niets hebben. Witz gold al spoedig als on-Duits. Een zienswijze die het lang heeft volgehouden. Nietsche bijvoorbeeld ziet 'esprit' als “eigenschap van late rassen, zoals de joden, de Fransozen en de Chinezen”. Het gebruik maken van ambiguïteiten werd door de burgerlijke, deugdzame en gelovige Duitsers ook afgewezen als iets van de duivel, die immers eveneens met twee tongen sprak. De Duitse taal, die weinig 'taalpathologie' kende (de grammatica laat minder meerduidigheden toe), werd ook gezien als oertaal die door Adam en Eva in het paradijs gesproken werd. Het Frans daarentegen was 'azijn van het Latijn'.

O Deutschland, meine ferne Liebe,

Gedenk ich deiner, wein' ich fast!

Das muntre Frankreich scheint mir trübe,

Das leichte Volk wird mir zur Last.

(...)

Lächelnde Weiber! Plappern immer

Wie Mühlenräder stets bewegt!

Da lob'ich Deutschlands Frauenzimmer

Das schweigend sich zu Bette legt.

Und alles dreht sich hier im Kreise

Mit Ungestüm, wie 'n toller traum!

Bei uns bleibt alles hübsch im Gleige

Wie angenagelt, rührt sich kaum...

Zoals uit deze ironische strofen uit Heinrich Heines gedicht Anno 1839 blijkt, zijn niet alle Duitse schrijvers tegenstanders van de Witz geweest. Sommige auteurs, zoals Heine en Schlegel, die achter de idealen van de Franse revolutie stonden, waren min of meer uit principe pro-Witz. Daartegenover kenden ook andere landen wel perioden van esprit-onvriendelijkheid. Nergens duurden die echter eeuwenlang, zoals in Duitsland.

Voor vrijwel alle andere grote namen uit de Duitse literatuur, van Goethe en Schiller tot en met (de vroege) Thomas Mann, geldt dat zij bij de burgerlijke anti-Witz-traditie aansloten. Misschien heeft Frederik de Grote dat wel op zijn geweten, met zijn onvriendelijke opmerkingen over de Duitse literatuur (bijvoorbeeld over Goethes Goetz von Berlichingen). Bovendien kreeg de strijd tegen de Witz in Duitsland vanaf het eind van de achttiende eeuw wel iets bijzonder ernstigs: het ging deel uitmaken van de strijd tegen het Frankrijk van de revolutie.

Een eeuw daarvóór schreef de auteur Christian Wernicke: “De Witz bestaat uit een zekere warmte en levendigheid van de hersenen, die in strijd is met het verstand, waar de hersenen langzaam en bedachtzaam te werk gaan.” Goethe schreef in Wilhelm Meisters Lehrjahre: “Het is het karakter der Duitsers dat alles hen zwaarmoedig stemt en dat zij alles zwaar maken.” In deze traditie schrijft Kant over de Duitser: “Omdat tot zijn hoofd nooit één enkele Witz toegang vindt, is hij ook tegen Aberwitz (onzin) goed beschermd.” En nog in 1964 meent ene B. Markwardt in de Geschichte der Deutschen Poetik het op te moeten nemen voor de 'door hoofsheid bedreigde levensernst'.

Bests conclusie: “Leggen wij er ons dus bij neer, dat ook onze verhouding tot de Witz deel uitmaakt van de Duitse Sonderweg die het land eeuwenlang van de hoofdstroom van de Westeuropese ontwikkeling heeft vervreemd.”

Wordt er in Duitsland dan helemaal niet gelachen? Kennen de Duitsers dan geen enkel gevoel voor humor? Wie bij de Duitsers zelf te rade gaat, krijgt vaak antwoorden in de trant van: platte en gemene grappen en grollen doen het in Duitsland wel, maar echte humor vindt geen waardering. Best schrijft dat ook, maar op dit punt onderschat hij zijn landgenoten waarschijnlijk. Om Wilhelm Busch, Erich Kästner, Kurt Tucholsky en de cabaretier Otto Reuter werd vóór de oorlog wel degelijk gelachen. Na de oorlog werd het gevoel voor humor in Oost-Duitsland gestimuleerd door de noodzaak kritiek op de staat in de vorm van humor te moeten verpakken.

In West-Duitsland ontstond intussen een traditie van grappige films. Vele zijn zeer zouteloos, maar de Heinz-Erhardt-films vormen daarop een uitzondering. Heinz Erhardt zag eruit als een Duitse kleinburger en vertoonde uiterlijk sterke overeenkomsten met Sjef van Oekel. Het bijzondere van Erhardt was echter dat hij een meester was in het maken van geestige woordspelingen.

Rond de jaren zeventig zien we ook de opkomst van Loriot, de man wiens cartoons in 1953 zo mensonterend gevonden werden. Frappant is dat zijn humor voor een belangrijk deel juist berust op het overdrijven van de voor Duitsers vaak zo belangrijke levensernst.

Als voorbeeld een tekenfilm-sketch, waarin Dr. Sommer en zijn sprekende hond geïnterviewd worden. Loriot, dezer dagen zeventig geworden, heet eigenlijk Bernhard-Viktor von Bülow en is een groot hondenliefhebber. Onmiddellijk na de introductie door de reporter steekt de hond zijn tong uit en maakt een geluid van een wind. Na een zeer lang gesprek over de vraag waarover de hond zou moeten spreken:

Dr. Sommer: Alstublieft... (tot de hond) Bello zeg eens: Otto holt grobe rote Rosen...

Hond: Hoho ho hoho hoho...

Reporter: Je moet wel heel precies luisteren.

Dr. Sommer: Botanische onderwerpen liggen hem niet zo.

Reporter: Dan van mijn part iets uit het kerkelijk bereik.

Dr. Sommer: Graag... (tot de hond) Bello zeg eens: Neun Nonnen holen Kohlen zum Kohleofen

Hond: Ho hoho hoho hoho ho hohohoho...

De hond blijft het uitstoten van o-klanken afwisselen met het op tactische momenten maken van windgeluiden. Tot slot:

Reporter: Dr. Sommer, mag ik eerlijk tegen u zijn?

Dr. Sommer: Ja en?

Reporter: De hond kan helemaal niet spreken.

Dr. Sommer: Dat is een schandalige uitspraak!

Reporter: De hond beheerst maar één enkele letter, zoiets als 'o'.

Hond: (Stoot een lange, huilende klaagtoon uit, echter zonder 'o'.)

Reporter: Wat heeft hij dan nou weer gezegd?

Dr. Sommer: Fischers Fritze fischt frische Fische...

Hond: (Steekt weer zijn tong uit en maakt een windgeluid.)

Einde sketch.

Of het tekenfilmpje Herren im Bad. Een van de twee heren heeft zich in de hotelkamer vergist en zit in het bad van de ander. Omdat beide heren stijfkoppen zijn, zit er niets anders op dan dat ze tegenover elkaar in het bad plaatsnemen. Na een lang gesprek op ruzie-toon:

Müller-Lüdenscheid: Het eendje komt er niet in.

Dr. Klöbner: Meneer Müller-Lüdenscheid, ik ga altijd samen met mijn eendje in bad... (gaat zitten)

Müller-Lüdenscheid: Niet met mij (wat in het Duits zowel betekent: 'over mijn lijk' als: 'maar niet met mij samen')

Loriot heeft een functie die te vergelijken is met die van Van Kooten & De Bie in Nederland. En zoals Van Kooten & De Bie grappen maken over een land waar iedereen op de sociale academie gezeten lijkt te hebben, gaat Loriots humor over een volk dat vooral serieus genomen wil worden. Loriot heeft ook een zekere maatschappelijke invloed. Zo zijn er aanwijzingen dat het wetsontwerp van minister Läuthäuser-Schnarrenberger (!) over het voeren van samengevoegde familienamen in het huwelijk dankzij Müller-Lüdenscheid niet door de Bondsdag gekomen is.

Een van de laatste ontwikkelingen op dit gebied is de massale invoering van Amerikaanse sit-coms (komische series) op de Duitse televisie. Zelfs Mister Been en Ein Fisch namens Wanda moesten aan de export naar Duitsland geloven. Humor is in in Duitsland. Of we het nu leuk vinden of niet: het lijkt erop dat de Duitsers een eeuwenlange strijd hebben opgegeven.

Het laatste woord is aan de jarige (Loriot): “Het is zeker verkeerd te beweren dat Duitsers minder humor zouden hebben dan anderen. Juist is waarschijnlijk dat ons zelfbewustzijn gemakkelijker aan te tasten is. Dat maakt ons kwetsbaar, wanneer we ons niet serieus genomen voelen. De Engelsen zijn op dat punt minder gevoelig. Die hebben dan ook minder vaak slaag gehad.”

Vertaling Heine-strofen:

O Duitsland, mijn verre vlam

Denkend aan jou, 'k bijna huilen kan!

Het mont're Frankrijk is niet leuk meer.

Het lichte volk drukt mij terneer.

(...)

Giechelende wijven! Steeds maar klappen

Als molenwieken, steeds bewogen

Ach, hoe kan 'k Duitslands vrouwen loven

die zwijgend 't bed in stappen

En rond draait alles hier

Onstuimig als een dolle droom!

Bij ons blijft alles mooi in toom

Als vastgenageld beweegt zich schier...