Behandeling deeltijdwerkers verdeelt Ser

ROTTERDAM, 8 DEC. De Sociaal-Economische Raad (SER) is verdeeld over de vraag of de gelijke behandeling van deeltijdwerkers en degenen die een volle baan hebben wettelijk moet worden vastgelegd.

De werkgevers menen dat de uitwerking hiervan moet worden overgelaten aan het arbeidsvoorwaardenoverleg tussen werkgevers en werknemers. De vakcentrales FNV en MHP vinden dat er een ruime wettelijke basis voor de gelijke behandeling moet komen. Dat blijkt uit een ontwerp-advies dat de SER volgende week vrijdag zal behandelen.

De verdeeldheid over een wettelijke verankering van de gelijke behandeling in arbeidsvoorwaarden van voltijd- en deeltijd-werknemers verrast niet. Bij wijze van compromis besloten sociale partners afgelopen zomer tot een gezamenlijke aanbeveling aan hun CAO-onderhandelaars om een (voorwaardelijk) recht op deeltijdarbeid in hun regelingen op te nemen. Dit houdt in dat een verzoek van een werknemer om zijn of haar arbeidsduur aan te passen door de werkgever in beginsel moet worden gehonoreerd, tenzij dit redelijkerwijs op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen niet van hem kan worden verlangd.

Het kabinet, zo blijkt uit de notitie die minister De Vries (sociale zaken) dezer dagen naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, staat positief tegenover deze aanbeveling. Er is volgens het kabinet op dit moment geen aanleiding voor een wettelijke regeling van het recht op deeltijdarbeid. Wel wil het kabinet wettelijk garanderen dat deeltijdwerkers recht hebben op hetzelfde uurloon als werknemers met een volledige baan die hetzelfde werk doen. Het kabinet wil de ontwikkelingen rond deeltijdarbeid nauwlettend volgen en onderwerp maken van het periodiek overleg met sociale partners.

De vakcentrales FNV en MHP, zo blijkt uit de SER-stukken, willen een stap verder gaan. In navolging van de Emancipatieraad pleiten deze twee vakcentrales voor het wettelijk vastleggen van het recht op deeltijdarbeid. Zij achten het juist een groot probleem dat momenteel een duidelijke norm ontbreekt waarop deeltijdwerkers zich kunnen beroepen. Een veronderstelde ongelijke behandeling kunnen zij alleen indirect aanvechten, bij voorbeeld via het verbod op het maken van onderscheid naar geslacht. Het standpunt van de christelijke vakcentrale CNV komt het dichtst bij de opvatting van het kabinet. Het CNV wil een algemene regeling voor de gelijke behandeling overlaten aan sociale partners.

Een belangrijk bezwaar van de werkgevers tegen een algemene wettelijke regeling is dat zij een ongewenste toename verwachten van het aantal juridische procedures. Bovendien zeggen zij dat de rechter in feite niets te maken heeft met de uitkomsten van het overleg tussen werkgevers(organisaties) en vakbonden over collectieve arbeidsovereenkomsten.

In het totaal van alle werknemers is het percentage deeltijdwerkers de afgelopen 15 jaar gestegen van 15 naar 27. Dat betekent dat er momenteel ongeveer 1,5 miljoen mensen in deeltijd werken. De groei deed zich voorheen in het bijzonder voor bij de kleine deeltijdbanen (minder dan 12 uur per week), die hoofdzakelijk door vrouwen worden bezet. Daarentegen groeit de laatste jaren het aantal grote deeltijdbanen (20 tot 34 uur per week) sterker dan het aantal kleine banen. Hoewel de overgrote meerderheid van de deeltijdwerkers uit vrouwen bestaat, is het aandeel mannen inmiddels toegenomen tot ongeveer 25 procent. Het kabinet verwacht een verdere groei van deeltijdarbeid, zeker nu sociale partners daarvoor in de Stichting van de Arbeid een impuls hebben gegeven.

Uit recent onderzoek van de Organisatie voor strategische arbeidsmarktonderzoek (OSA) is gebleken dat ongeveer 750.000 werknemers met een volledige baan minder zouden willen werken, terwijl circa 500.000 mensen met deeltijdbanen langer zouden willen werken. Honorering van al die wensen zou 110.000 nieuwe banen kunnen opleveren. Als alleen zou worden ingegaan op de wens van degenen die korter willen werken dan zou dit (louter rekenkundig) zelfs 300.000 banen kunnen opleveren.