Aan de poort

In 1955, toen hij nog journalist was, schreef Gabriel Garcá Márquez het Verhaal van een schipbreukeling. Over een matroos die tien dagen lang op een vlot had gezeten. Hoe hij met zijn blote handen een meeuw ving, het leer van zijn schoenen probeerde te eten en met de haaien om een dode vis vocht.

Over de rand van Joe Simpson, ook zoiets. Over een alpinist die, verloren gewaand, van het touw werd gesneden. Hoe hij viel, in een gletsjerspleet belandde en zich uiteindelijk, zijn gebroken been achter zich aanslepend, in veiligheid wist te brengen. Alleen als verhaal al is dit genoeg om je te radbraken.

Het is een mooi genre. Over bijna bovenmenselijke inspanningen om in tijden van nood het vege lijf te redden. Waarbij je je afvraagt of je zelf ook al die moeite zou doen.

Ik geloof dat ik één keer de kans heb gehad. In militaire dienst. Nekkramp. Dan schijn je toch echt even aan de hemelpoort te rammelen en ik moet zeggen: ik vond het heerlijk, ik onderging mijn machteloosheid als iets buitengewoon behaaglijks. Dat ik toen op mijn schreden ben teruggekeerd, was dan ook meer penicilline dan wilskracht.

Je weet het niet. Er kan in je borst best een tijger sluimeren. Maar ik heb er nooit wat van gemerkt. Bij mij is het er vast zoéén die achteraf zijn kop schudt en met een geweldige geeuw zijn kin weer op zijn poten legt. Hij hecht aan het leven, maar het moet zich wel rustig houden.