Splitsing uitkering zorgt voor een betere bijstand

Bijstandsuitkeringen moeten worden gesplitst in twee delen: één ter dekking van kosten van levensonderhoud en één ter beperking van woonlasten. Dat is een belangrijke conclusie van het rapport-Van der Zwan over de bijstandswet die vorige maand op deze pagina werd gesteund door socioloog Romke van der Veen en vervolgens bestreden door diens collega Allan Varkevisser. Onderzoeker Van Geuns stelt zich achter de voorstanders van splitsing omdat dit een bijdrage kan leveren aan een houdbare en rechtvaardige bijstandswet.

Ruim twee maanden geleden verscheen het rapport van de Commissie-Van der Zwan over de bijstandswet. In de eerste publiciteitsstorm kregen de omvang van de fraude en het functioneren van sociale diensten de meeste aandacht. Maar de essentie van het rapport van de commissie én van de daaraan ten grondslag liggende onderzoeksrapporten was eigenlijk een andere. De conclusies hadden vooral betrekking op de uitvoering en uitvoerbaarheid van de Algemene Bijstandswet, terwijl de aanbevelingen vooral ingingen op de vraag hoe uitvoering en wet minder gevoelig voor onterecht gebruik konden worden gemaakt. Een van de belangrijkste aanbevelingen was de uitkeringen op te splitsen in twee componenten, namelijk één betrekking hebbende op de algemene kosten van levensonderhoud, en één om de aantoonbare woonlasten te vergoeden. Deze aanbeveling is terug te vinden in het werk van socioloog Romke van der Veen (zie NRC Handelsblad van 2 november.)

In een bijdrage aan de opiniepagina van NRC Handelsblad van 20 november betoogt Allan Varkevisser dat dit opsplitsen van bijstandsuitkeringen indruist tegen individualiserings- en emancipatietendensen die de Nederlandse samenleving de afgelopen decennia zo zeer gekenmerkt hebben. Hij verzet zich tegen de voorgestelde systematiek die zijns inziens niet alleen de (bestedings)vrijheid van de bijstandsontvanger beperkt, maar bovendien leidt tot verdere bureaucratisering van de bijstandsverlening.

Hoewel Varkevisser erkent dat de oplossing van Van der Veen de fraude-gevoeligheid van de regelgeving terugdringt, wijst hij deze om genoemde redenen af. Het lijkt erop alsof Varkevisser daarmee de fout herhaalt die de afgelopen tientallen jaren in de politiek jegens de sociale zekerheid steeds weer is gemaakt, namelijk het ondergeschikt maken van de uitvoerbaarheid aan een rechtvaardigheid van 100 procent. Dit argument wordt enigszins verhuld naar voren gebracht door te verwijzen naar de denivellerende werking van het opsplitsen van de uitkering. Hoewel deze denivellerende werking mogelijkerwijs optreedt, afhankelijk van de precieze invulling van een dergelijke systematiek, gaat het argument voorbij aan de essentie van het betoog van Van der Veen en de Commissie-Van der Zwan.

Ik wil hier twee argumenten aanvoeren voor het feit dat een dergelijke opsplitsing een bijdrage kan leveren aan een houdbare, rechtvaardige bijstandswet: zij levert namelijk een bijdrage aan het terugdringen van verschillende vormen van moeilijk te bestrijden misbruik en zij maakt het werk van ambtenaren van sociale diensten een stuk duidelijker, eenvoudiger en daardoor mogelijkerwijs doelmatiger.

Uit allerlei onderzoek is, en dat moet Varkevisser toch inmiddels ook weten, duidelijk geworden dat de omvang van misbruik van de bijstandswet aanzienlijk omvangrijker is dan lange tijd verkondigd werd. De vorm van misbruik die daarbij het moeilijkste is aan te pakken, is de zogenaamde leefvormfraude. Hele afdelingen sociale recherche bijten hun tanden erop stuk en het openbaar ministerie moet in een groot deel van deze zaken bakzeil halen wanneer het dit soort zaken voor laat komen. Met andere woorden: veel pleit ervoor om de regels zo aan te passen dat deze vorm van misbruik veel minder snel kan voorkomen.

De makkelijkste en duurste oplossing is volledige individualisering, maar ik neem niet aan dat Varkevisser daar een voorstander van is. Ik heb in ieder geval niet begrepen dat D66 voorstander van een basisinkomen is en daar zou dit wel op uitdraaien. Als die optie afvalt dan is eigenlijk de meest eenvoudige oplossing die van Romke van der Veen. Geef een geïndividualiseerde uitkering voor de algemene kosten van levensonderhoud en een apart deel voor de aantoonbare woonlasten. Daarbij laat ik in het midden of dit laatste uitsluitend de huur of ook energielasten moet omvatten. Voordeel is dat indien iemand zegt woningdeler te zijn hij/zij dit moet aantonen door middel van huurnota's en contracten waarbij uitsluitend het evenredige deel vergoed wordt. Het voordeel van de tot nu toe geldende normatiek waarbij zo'n persoon al snel 70 procent van de uitkering ontving, verdwijnt en daarmee het voordeel van het ten opzichte van de sociale dienst onjuist voorstellen van de eigen omstandigheden. Met andere woorden, leefvormfraude wordt op deze wijze substantieel geruggedrongen.

Mijn tweede argument voor de nieuwe systematiek is dat het het werk van contactambtenaren bij sociale diensten een stuk eenvoudiger maakt. Het is zowel voor de cliënt als voor de ambtenaar duidelijk waar de cliënt recht op heeft. De zogenaamde discretionaire ruimte van de ambtenaar wordt er door teruggedrongen met als voordeel dat hij ook niet onder (morele) druk kan worden geplaatst door de cliënt om een hogere uitkering te geven dan waar de cliënt eigenlijk recht op heeft. Uit al het onderzoek dat op dit terrein is gedaan wordt glashelder dat dit een veel voorkomend verschijnsel is. In de spreekkamer wordt een machtsspel gespeeld tussen beiden waarbij de ambtenaar conflictvermijdend tracht te opereren. Als hij dat kan bereiken door de cliënt een volledige alleenstaandenuitkering toe te kennen in plaats van een woningdelerskorting op te leggen dan zal dat in veel gevallen gebeuren.

Gevolg hiervan is dat de contactambtenaar tijd beschikbaar krijgt om aandacht te besteden aan de arbeidsmarktkansen en scholingsbehoeften van cliënten. Hierdoor kan de doelmatigheid van de uitvoering sterk verbeteren, een doelmatigheid die momenteel ernstig te lijden heeft onder het streven de uitkering volledig conform de regels te verstrekken. Dat dit de hoogste tijd wordt hebben de rapporten van de Commissie-Van der Zwan, de Algemene Rekenkamer en de Tweede-Kamercommissie-Doelman Pel recent weer aangetoond. De conclusie daaruit kon slechts zijn dat bij de huidige regelgeving het streven naar rechtmatigheid, hoeveel tijd daar ook in gestoken wordt niet volledig realiseerbaar is. Bovendien wordt steeds meer vastgesteld dat dit probleem op z'n minst ook in die regelgeving ligt, en oplossing ervan dus aanpassing daarvan vergt. Aanpassing van de uitkeringssystematiek in de voorgestelde richting maakt het werk van de sociale diensten minder ingewikkeld en maakt daarmee tijd vrij voor doelmatigheidsverhoging van de uitvoering en een effectiever uitstroombeleid.

Kortom, een andere uitkeringssystematiek is zowel bevorderlijk voor het terugdringen van de fraudegevoeligheid van de bijstandswet als voor het verbeteren van de uitvoerbaarheid ervan. De 'baten' van een dergelijke wetsverandering in termen van verbeterde doelmatigheid en geringere fraudegevoeligheid wegen op tegen de 'kosten', een niet volledige rechtvaardigheid in termen van gelijke monniken gelijke kappen.

De conclusie moet zijn, dat bij uitblijven van de aangegeven (en andere) veranderingen de uitvoerbaarheid sterk onder druk zal blijven staan. Gevolg zou dan wel eens kunnen zijn dat in plaats van denivellering voor een deel van de bijstandontvangers, alle bijstandontvangers met een forse korting op hun uitkering geconfronteerd worden. Tot slot moet mij van het hart dat de uitsmijter van Varkevisser ten aanzien van de Partij van de Arbeid wel erg goedkoop aandoet en ingegeven lijkt door verkiezingskoorts. In diezelfde lijn wil ik besluiten met de opmerking dat waar de Partij van de Arbeid eindelijk overtuigd lijkt te zijn van het belang van een uitvoerbare sociale zekerheidswetgeving, D66 wat dat betreft nog steeds gevangen zit in wat ik hier maar de rechtvaardigheidsval zal noemen. Of D66 hiermee de Partij van de Arbeid links of rechts heeft gepasseerd laat ik graag aan het oordeel van de lezer over.