Siddering in de kosmos.

Siddering in de kosmos

Als twee verwante zielen elkaar treffen, leidt dat op z'n minst tot onschuldig geflirt, maar soms tot een voelbare siddering in de kosmos. Gerard Reve en Arthur Schopenhauer zijn zulke gelijkgestemde geesten, en de Amsterdamse filosoof Peter Abelsen bericht op een onderhoudende manier in het zojuist verschenen november-nummer van De Gids over de ontmoeting van de volksschrijver met het werk van de Duitse denker.

In 1975 meldde Reve aan Simon Carmiggelt dat hij de zwaarmoedige wijsgeer “hartstikke geweldig” vond. Blijkbaar kende hij Schopenhauer slechts uit de 'enzieklopie', maar dat was genoeg om tot een oordeel te komen: “Vreemd, dat van de geschriften van pessimisten altijd een diepe troost uitgaat, en dat optimisten je tot zelfmoord brengen. Je wordt er beroerd van, van Schopenhauer, en toch kikker je er helemaal van op.”

Later las Reve volgens eigen zeggen “bij wijze van ontspanning” het volledig werk van Schopenhauer. Dat dit hem meer schonk dan louter verpozing, maakt Abelsen op heldere wijze duidelijk, hoewel het betoog een enkele keer bijna kapseist door uitdrukkingen als 'immanent metafysische duiding' en 'spatiotemporeel universum'. Hij ontzenuwt de gedachte dat 'Nederlands enige onsterfelijke schrijver' op een gratuite manier flirt met de 'onverzoenlijke wereldhekel' van Schopenhauer. Daarentegen blijkt dat bestudering van Die Welt als Wille und Vorstellung wel degelijk invloed had op Reve. Zijn opvattingen over de 'Uiteindelijke dingen' zijn door de Wils-filosoof verhelderd, verdiept zelfs - zonder dat ze overigens wezenlijk zijn veranderd. Dat geldt voor zijn gods-idee, voor zijn begrip voor de ambiguïteit van de erotiek, en voor zijn opvatting van het leven als vervuld van tragisch leed en vergeefse hunkering. Reve kreeg zo een onwankelbaar oordeel over de wereld: “Behalve de R.K. leer heb je alleen nog de filosofie van Schopenhauer nodig, om te snappen hoe de boel in elkaar zit.”

Verder in De Gids een al te gedetailleerd verslag door Louis Paul Boon-kenner Bert Vanheste over de wording van De Kapellekensbaan, weinig opzienbarend proza van A.L. Schneiders, en poëzie van Leo Vroman en Sybren Polet die onwillekeurig leidt tot de gedachte dat dichters net schrijvers zijn die de regel niet vol krijgen ('Laat thuisgekomen. Mijzelf / gebeld: eeuwig in gesprek. Ook telefoon / moe van zelfkommunikatie, geest / moe van zichzelf'', zo laat Polet zijn dichtader vloeien).

In de rubriek buitenlandse literatuur zijn onder de noemer Historie & Schrijverschap vier beschouwingen over de historische roman bijeengebracht. Edwin Krijgsman bericht over de opkomst van dit genre in Italië na Umberto Eco's De naam van de roos. De succesvolle literaire werken met thema's uit het verleden van Roberto Pazzi (o.a. Op zoek naar de keizer), Sebastiano Vassali (o.a. Het goud van de wereld) en Dacia Maraini (o.a. Een stille passie) passen overigens in een Europese trend. Zo waren alle titels op de shortlist van de Booker Prize 1993 ook historische romans. Voorts schrijft Maarten Steenmeijer over het geschiedkundig element bij Marquez, laat Willem Weststeijn zijn licht schijnen over Solzjenitsyns Het rode rad en tracht Lies Wesseling het oeuvre van Thomas Pynchon te doorgronden.

Ten slotte biedt De Gids een rommelig betoog van Frans Geraedts en Leonard de Jong over de terugkeer van de filosofen. Deze samenstellers van de reeks Ergo Cogito met opstellen van jonge Nederlandse denkers, smijten met schelle woorden (er is geen kritiek of zij is vernietigend, geen filosofie of zij is een vorm van culturele zelfreflectie), zonder dat duidelijk wordt wat zij meer willen dan wijzen op hun eigen aanwezigheid.

De Gids, november 1993, (jaargang 156, nr 11), uitg. Meulenhoff, 88 blz., ƒ14,90, jr.abt. (twaalf nummers) ƒ 105.

Circulaire redenering

Iets steekhoudender wijsgerige opstellen zijn te vinden in het december-nummer van Filosofie Magazine. Ten minste, als men een middelmatig interview met Cees Nooteboom (“Men schildert mij als een soort meester van de geveinsde eruditie. Ik heb daar zo mijn gedachten over”) voor lief neemt, evenals een overbodig betoog van de Gentse hoogleraar Jacques De Visser over de vraag 'Wat willen kunstenaars toch?' (antwoord: “Ze willen dat we naar hun werk kijken of luisteren”) en een onbegrijpelijke recensie door Dieter Lesage inzake Jacques Derrida's Spectres de Marx.

Wel de moeite waard zijn een interview met de onlangs op 52-jarige leeftijd overleden Amsterdamse hoogleraar ethiek Trudy van Asperen dat enkele weken voor haar dood werd gehouden, en een energiek essay van Jan Vorstenbosch over het magnum opus Political Liberalism van John Rawls en de uitdagingen en paradoxen van het liberalisme.

Ronduit hilarisch is het artikel over de filosofische onderbouwing van operatie Centurion bij Philips. Het blijkt dat een groep management-trainers wordt opgeleid om nieuwe normen en waarden onder het personeel te verbreiden aan de hand van het werk van Martin Heidegger. Geconfronteerd met diens analyse dat 'het Zijn' zich op verschillende manieren kan laten zien, verliezen de mannen van Centurion hun zekerheden. “Ze durven te twijfelen,” jubelt de onderwijzende cultuurfilosofe, “er zat zelfs iemand met tranen in de ogen tijdens een training.”

Erg verhelderend in dit nummer van Filosofie Magazine is de korte maar scherp geformuleerde monoloog van de Groningse feministische filosofe Renée Dalitz. Zij toont zich niet bijster onder de indruk van de huidige trends in de feministische wijsbegeerte. Bovendien is het feminisme volgens haar vaak gevangen in circulaire redeneringen. “Waarom zou de sekse van een onderzoeker eigenlijk van belang zijn? Ik heb daar nog nooit een steekhoudend argument voor gehoord en zou ook niet weten wat er nu precies feministisch is aan zo'n stellingname.” Als feminisme een functie heeft in de wijsbegeerte, is dat volgens Dalitz louter om de argumentatieve structuur van theorieën in kaart te brengen. “Maar verder is het een zaak van politieke besluitvorming en kun je als filosoof met het feminisme niet zo veel.”

Filosofie Magazine, dec. 1993 (jrg 2, nr 9), uitg. Stichting Filosofie, 64 blz., ƒ8,50; jaarabonnement (10 nummers) ƒ 72,50.

Heterofonie

Meer bewijs dat een linkse overtuiging niet noodzakelijkerwijs hoeft samen te gaan met een halfzachte betoogtrant en intellectuele incest, levert het oktober-nummer van de New Left Review. Dit misschien wel laatste bolwerk van linkse denkers in Engeland maakt moeilijke tijden door, ondanks het hoofdredacteurschap van Robin Blackburn en een redactieraad met puntige denkers als Terry Anderson en voormalig studentenactivist Tariq Ali. In deze aflevering wordt niet voor niets met weemoed afscheid genomen van de grote linkse historicus Edward P. Thompson die op 28 augustus overleed, en een van de oprichters van NLR was. Thompson is wereldberoemd geworden door verpletterende standaardwerken als The Making of the English Working Class (1955), Whigs and Hunters (1975), Customs in Common (1991) en Witness against the Beast (1993). Daarnaast schreef hij talloze essays, een roman, herinneringen aan zijn vader en broer, was hij een groot kenner van de Britse literatuur en voerde onvermoeibaar actie voor nucleaire ontwapening.

Voorts in NLR een lucide betoog van Andrea Boltho waarin zij hardhandig blootlegt dat de Europese Gemeenschap geen enkel coherent antwoord heeft op de nieuwe massa-werkloosheid. Bovendien een onthullend essay over de kloof tussen woord en daad in het milieu-beleid van Bill Clinton, die Arkansas zeer veel vervuilder achterliet dan hij de staat aantrof.

Tenslotte rijgt Michael Chanan in een even onwaarschijnlijk als persoonlijk verhaal een web van overeenkomsten tussen vier eigentijdse componisten die recentelijk overleden: Olivier Messiaen, John Cage, Astor Piazzola en Dizzie Gillespie. Hun dialoog met mensen en tradities, over de ravijnen van de 'heterofonie van de moderne akoestische wereld' heen, schijnt het bindende element te zijn tussen deze verklankers van de moderniteit. Zo bezien zou er ook wel voor Frank Zappa een plaatsje overschieten in dit vangnet van dode muzikanten “die de grote queeste van de twintigste eeuw naar het metafysische, het anti-metafysische en het populaire hebben volbracht”.

New Left Review, Nr. 201, okt. 1993, uitg. New Left Review Ltd., 128 blz., ƒ 22,50; jr.abt. (6 afleveringen) ¢8 26.