Politiek en rechter kunnen Betuwelijn nog tegenhouden

ROTTERDAM, 7 DEC. “De trein kan wat ons betreft in beweging worden gezet”, zei het Tweede-Kamerlid G. Leers (CDA) gisteren in het debat over de Betuwelijn. Hij bedoelde dat uitsluitend in figuurlijke zin, want het zal nog ten minste zeven jaar duren voordat er een trein over de nieuwe goederenspoorlijn van de Maasvlakte naar Duitsland rijdt. Tenminste, als de lijn er komt. Hoewel een Kamermeerderheid voor de planologische kernbeslissing (PKB) is, kan zowel het parlement als de rechter de aanleg in een later stadium nog blokkeren.

Zo'n planologische kernbeslissing behelst een principebesluit om de goederenspoorlijn aan te leggen en een globale aanduiding waar die moet komen te liggen. Over het algemeen gaat het om een strook van ongeveer honderd meter breed. Ook in verticale zin zijn de marges aangegeven in de PKB. Vrij precies is vastgelegd waar een tunnel moet komen, waar aanleg in een diepe bak mogelijk is en waar het spoor op het maaiveld moet komen.

De PKB geeft ook de ruimte aan waarbinnen oppositiepartijen straks, indien ze deelnemen aan de kabinetsformatie, wijzigingen kunnen bewerkstelligen. Politiek is het zelfs denkbaar veranderingen aan te brengen in de PKB, maar de prijs daarvoor is een vertraging in de procedure. Deze kan oplopen tot meer dan negen maanden in het geval een extra inspraakronde nodig is, omdat de voorgestelde verandering nog niet eerder onderwrp van inspraak is geweest. PvdA-woordvoerder F. Castricum zei in het debat gisteren te verwachten dat de miljarden kostende wensen van VVD en D66 bij de formatie zullen “verdampen”.

Na goedkeuring door het parlement van PKB-deel 4 gaat het kabinet het globale tracé in detail uitwerken. Voor elke gemeente wordt dan precies aangegeven waar het spoor komt te liggen en welke percelen moeten worden aangekocht of onteigend. Dit mondt uit in een ontwerp-tracébesluit. Daarna gaan veel procedures tegelijk lopen.

Over het ontwerp-tracébesluit vindt een zeer beperkte inspraakronde plaats. Lagere overheden hebben twaalf weken de tijd om te reageren op het ontwerp-tracébesluit, overige belanghebbenden hebben daarvoor vier weken. De ministers van VROM en verkeer en waterstaat stellen vervolgens binnen twee maanden een tracébesluit op.

Tegelijk met het ter inzage leggen van het ontwerp-tracébesluit vraagt de minister van VROM de betrokken lagere overheden of ze willen meewerken om de Betuwelijn in te passen in hun bestemmingsplannen. Dat is geen vrijblijvend verzoek. Als ze ja zeggen, zijn ze gecommitteerd, als ze nee zeggen worden ze gedwongen. In dat geval geeft de minister ze namelijk tegelijk met het tracébesluit een zogeheten aanwijzing die hen dwingt de betrokken plannen in de zin van het tracébesluit te wijzigen. Deze keuze tussen wel en niet meewerken - in de ogen van menig betrokken bestuurder een keuze tussen de duivel en Beëlzebub - is een uitvloeisel van de Nimbywet (Not in my back yard), de algemeen ingeburgerde koosnaam voor een wijziging op de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Tegen het tracébesluit is beroep mogelijk bij de nieuwe afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De mogelijkheid bestaat dat de Raad van State het tracébesluit vernietigt of hangende de behandeling van beroepszaken schorst. Hoelang dat kan duren is volstrekt onduidelijk, aangezien de tracéwet bij de Betuwelijn voor het eerst zal worden toegepast. Dit is de eerste kans voor dwarsliggende lokale bestuurders en omwonenden om de procedure te vertragen of te torpederen.

Wordt het tracébesluit hangende de beroepszaken niet geschorst, dan kunnen de betrokken ministers verdergaan met de procedures. Die behelsen drie dingen: het planologisch inpassen van het tracé in lokale plannen, het aankopen of onteigenen van grond, en het aanvragen van allerlei voor de aanleg noodzakelijke vergunningen, zoals bouwvergunningen, sloopvergunningen, milieuvergunningen en ontgrondingsvergunningen. Lagere overheden staan onder zware druk om mee te werken. Doen ze dit namelijk niet, dan grijpen de betrokken ministers in. Als een gemeente bijvoorbeeld blijft weigeren het tracé in te passen in het bestemmingsplan, dan stelt de minister van VROM na een jaar zelf dat bestemmingsplan vast. Als de betrokken overheden niet binnen de daarvoor gestelde termijnen de gevraagde vergunningen verlenen - die termijnen zijn voor elke vergunning anders - dan vraagt de minster van verkeer en waterstaat de minister waaronder die vergunning valt om die zelf te verlenen.

Zowel tegen de nieuwe bestemmingsplannen als tegen de verleende vergunningen is beroep mogelijk. Maar voor zover dit beroep zich eigelijk richt tegen het tracébesluit is het beroep niet ontvankelijk. Dit is een belangrijk punt uit de Tracéwet, die het mogelijk moet maken beroepszaken aanzienlijk sneller af te handelen. Hoe lang die beroepszaken zullen duren hangt vooral af van het aantal. Indien inderdaad zoals de Gelderse gedeputeerde J. de Bondt in een optimistische bui heeft voorspeld een kwart miljoen beroepszaken worden aangespannen kan het wel even duren. Dit is de tweede kans voor lokale bestuurders en omwonenden om de procedure te dwarsbomen of te vertragen.

In de meest optimistische planning van het kabinet is eind 1995 de zaak rond. De Tweede Kamer heeft echter aan haar instemming met de PKB de voorwaarde verbonden dat de private financiering van 1,5 miljard gulden rond komt. Dat kan pas na afloop van de hele planologische procedure worden beoordeeld. Immers, geen enkele financier zal zich willen vastleggen, zolang nog geen absolute zekerheid bestaat over de afloop van de procedure. Indien private financiers onvoldoende belangstelling hebben kan de Kamer op dat moment alsnog besluiten de spoorlijn niet aan te leggen. Wanneer grote contracten met bouwers zijn gesloten, wordt de prijs om terug te keren op de schreden wel erg hoog. Onmogelijk is dat echter nooit. Het parlement kan altijd 'stop' zeggen, al zijn daar wel aanzienlijke kosten mee gemoeid.