Nederland verliest de strijd om openheid in de Europese Unie

BRUSSEL, 7 DEC. Nederland heeft de strijd om openheid in de Europese Unie kansloos verloren. Het kreeg gisteren van geen enkele andere lidstaat steun voor het voorstel om de burgers ruime toegang te garanderen tot documenten van de Europese raad van ministers en van de Europese Commissie.

“Nederland is strijdend ten onder gegaan”, zo werd gisteren opgemerkt na afloop van een bijeenkomst van de ministers van buitenlandse zaken in Brussel die was gewijd aan een nieuwe Europese gedragscode voor openbaarheid van bestuur. Alle lidstaten, behalve Nederland, schaarden zich achter het voorstel van het Belgische voorzitterschap om het publiek in beginsel “zo ruim mogelijke” toegang te geven tot documenten van de raad en de Commissie, maar daar wel een aantal beperkende voorwaarden aan te verbinden. Zo kan inzage in documenten worden geweigerd indien dat uit oogpunt van onder andere “de bescherming van het algemeen belang” niet wenselijk is.

Dat 'algemeen belang' kan betrekking hebben op zaken als openbare veiligheid, internationale betrekkingen, monetaire stabiliteit, gerechtelijke procedures, inspectie- en enquête-activiteiten, zo wordt nader uitgelegd. Nederland stelt dat het met zo'n formulering altijd mogelijk is om burgers inzage in documenten te weigeren. Ook de bescherming van het individu en van de persoonlijke levenssfeer, de bescherming van geheime handels- en industriegegevens en de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap kunnen als redenen worden gebruikt documenten geheim te houden.

Wel werd Nederland op een ander, constitutioneel punt tegemoetgekomen. De Nederlandse regering mag het parlement in Den Haag blijven informeren over de besluitvorming in Brussel. Die tegemoetkoming wordt gedaan in een aparte verklaring, waarin staat dat de nieuwe afspraken over de openbaarheid van het Brusselse bestuur de bestaande verplichtingen van regeringen aan hun parlementen niet aantasten.

Dat is van belang omdat het Nederlandse parlement in de goedkeuringswet bij het Verdrag van Maastricht heeft bedongen dat het zijn instemming moet geven met elk bindend besluit dat in Brussel wordt genomen op het nieuwe gemeenschappelijke beleidsterrein van justitie en binnenlandse zaken. Door de afspraken om de openbaarheid van informatie aan een aantal beperkende voorwaarden te binden, vreesde de Nederlandse regering dat zij niet meer in staat zou zijn om het parlement naar behoren te informeren over de besluitvorming in Brussel. Daardoor zou het parlement ook niet meer in staat zijn om zich een oordeel te vormen.

Ook op het punt van de openbaarmaking van stemverhoudingen binnen de raad van ministers, moest Nederland het onderspit delven. Als het gaat om echte communautaire terreinen - zoals het landbouw- en het handelsbeleid - waarbij de ministerraad formeel optreedt als Europese wetgever, worden de stemmingen als regel openbaar, tenzij een meerderheid anders beslist. Maar op de nieuwe beleidsterreinen van de Europese Unie - het buitenlandse en veiligheidsbeleid, justitie en binnenlandse zaken - is al de proteststem van één minister voldoende om publikatie van de stemmingen tegen te houden.

Nederland heeft een waar diplomatiek offensief gevoerd in Brussel, maar de afgelopen weken werd al duidelijk dat het vrijwel alleen stond in de strijd voor grotere openheid. “De toegang tot informatie van de Commissie en van de raad wordt uitermate beperkt, zo niet bijna onmogelijk”, aldus staatssecretaris Dankert gisteren. “Een WOB-procedure zoals in Nederland mogelijk is, zal in de Europese Unie tot niets leiden.”

Volgens Dankert draagt de nieuwe gedragscode over openbaarheid van bestuur op geen enkele wijze bij aan het dichten van de kloof tussen Europa en de burger - iets waarop de afgelopen tijd juist zo is aangedrongen. De vreemde situatie kan zich nu voordoen dat vertrouwelijke stukken vanuit Brussel naar de Nederlandse Tweede of Eerste Kamer worden gestuurd, die vervolgens besluiten om in het openbaar over de betreffende onderwerpen te debatteren.