Minister wil leraren in opleiding voor de klas

DEN HAAG, 7 DEC. Minister Ritzen (onderwijs) wil dat studenten in het vierde jaar van de lerarenopleidingen op een school gaan werken. Studenten moeten voor een jaar een dienstverband aangaan met een school en krijgen de status van leraar-in-opleiding (lio).

De minister schrijft dit aan de Tweede Kamer, die volgende week maandag praat over maatregelen om de kwaliteit van de lerarenopleidingen te verbeteren. Met zijn voorstel sluit Ritzen aan bij de aanbevelingen die de Commissie Toekomst Leraarschap, onder leiding van oud-Kamerlid A. van Es, in maart uitbracht.

Ritzen wil dat leraren in opleiding worden benoemd in een bestaande vacature. De omvang van zijn betrekking zal veertig of vijftig procent van een volledige baan zijn. De lio's krijgen een salaris dat lager ligt dan het aanvangssalaris van een pas afgestudeerde leraar. Voor een beginnend leraar in het basisonderwijs is dit 3.422 gulden bruto per maand, in het voortgezet onderwijs 3.416 gulden. Doordat het salaris van een lio lager ligt, komt voor scholen extra financiële ruimte beschikbaar. Dat geld kunnen ze gebruiken om ervaren leraren vrij te stellen van een deel van hun lesgevende taak om de lio's te begeleiden.

Met het lio-schap wil Ritzen de 'praktijkschok' die beginnende leraren nu vaak hebben, terugbrengen. “Wanneer nu de theorie tijdens het laatste jaar van de opleiding complementair is aan de ervaring die de lio in school opdoet, zal dit leiden tot een kwalitatief betere leraar”, aldus de minister in zijn brief. Hij vindt de vrees dat door het lesgeven in het vierde studiejaar onvoldoende tijd overblijft voor de theoretische opleiding, ongegrond.

De leraren-in-opleiding moeten het lesgeven combineren met hun studie. School en opleiding moeten nauw gaan samenwerken. Naast het lio-schap moeten alternatieve afstudeermogelijkheden blijven bestaan, in het geval er “overhoopt” niet voldoende vacatures blijken te zijn, zo schrijft Ritzen.

Ritzen stelt voor op korte termijn zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs te beginnen met experimenten met leraren-in-op-leiding. Hij geeft niet aan wat de invoering van deze maatregel gaat kosten. Wèl merkt de minister op dat het de rijksoverheid “waarschijnlijk in de meeste gevallen” scheelt aan studiefinanciering, omdat de leraar-in-opleiding geen beurs maar een “normaal zij het bescheiden salaris” ontvangt.

In zijn brief aan de Kamer onderstreept de minister ten slotte dat het vierde studiejaar van de lerarenopleiding niet het einde van de scholing is. “Na- en bijscholing zal voortbouwen op de verkregen startbekwaamheid.”