Minder cash voor de crèche dupeert ouders

Vijftigduizend crècheplaatsen in vier jaar, beloofde minister d'Ancona (WVC) in 1990. Het streefgetal is bijna bereikt, maar de wachtlijsten zijn nog altijd even lang als het aanbod. En wie moet betalen: de gemeenten, de ouders of het bedrijfsleven?

ROTTERDAM, 7 DEC. Emilie trekt haar vader aan zijn mouw. Ze wil naar huis. Voor ze zijn sleutels kan pakken grijpt zus Céline haar bij het middel en zwiert haar door het lokaal van het kinderdagverblijf Beatrix. De paar peuters die nog op hun ouders wachten, moedigen Céline luidkeels aan. Vader Yves de Block krijgt intussen van de leidster te horen dat zijn dochter vandaag “erg speels” was. Hij trekt Emilie jas, muts en schoenen aan, pakt zijn beide dochters bij de hand en loopt het donkere Rotterdam in.

De Block wisselt het ophalen van zijn dochters - Emilie van het kinderdagverblijf en Céline van de basisschool of van naschoolse opvang - af met zijn vrouw. Beiden werken parttime: hij 22 uur, zij 30. Omdat ze samen meer dan 4.900 gulden netto per maand verdienen, betalen ze voor het kinderdagverblijf van Emilie de maximale ouderbijdrage: 864 gulden per maand. Per 1 januari wordt dat verhoogd tot 995 gulden. Ook kunnen ze dan niet meer, zoals nu, een kwart van het bedrag van de belasting aftrekken. “Op die manier wordt vijf dagen per week voor ons te duur”, zegt De Block. “We zullen Emilie vanaf 1 februari een dag per week thuis houden. Ik zal dan ook thuis zijn om voor haar te zorgen.”

Voor Djamila Rahman, die haar zoon Noor dagelijks naar hetzelfde Rotterdamse kinderdagverblijf brengt, heeft de tariefsverhoging ingrijpender gevolgen. “Ik moet mijn werk opgeven en zelf op Noor passen”, zegt Rahman die twee dagen per week werkt als vluchtelingenbegeleider. Omdat ze studeert en de vergoeding voor haar werk aanvult met een uitkering, betaalt ze voor Noor de minimum ouderbijdrage: 64 gulden in de maand. Volgend jaar wordt dat negentig gulden. Daarnaast betaalt ze bijna honderd gulden voor de naschoolse opvang van zoon Waël en dochter Rihem. “Ik moet nu al de boeken voor mijn rechtenstudie kopiëren omdat ik ze niet kan betalen. Dus waar ik straks het geld voor kinderopvang vandaan moet halen, is me een raadsel.”

De verhoogde bijdrage die ouders vanaf volgend jaar betalen voor kinderopvang moet 30 miljoen gulden opleveren. De belastingmaatregel, waar de Kamer vorige week mee akkoord ging, nog eens 35 miljoen die weer in de kindercentra wordt geïnvesteerd. Ouders betalen meer, maar de rijksbijdrage aan de opvang gaat de komende jaren omlaag. Dit jaar was de subsidie nog 290 miljoen gulden, volgend jaar 241. Wat daarna gebeurt, is nog onzeker. Verwacht wordt dat de subsidie verder daalt met 30 procent in 1996 als de gemeenten verantwoordelijk worden voor de kinderopvang.

Gemeenten vrezen dat zij de kinderopvang niet kunnen betalen, nu de rijkssubsidie daalt. “Per kindplaats krijgen we in de komende jaren 4.750 gulden subsidie, terwijl de reële kosten zo'n 16.000 gulden per jaar zijn”, aldus J. Rutjens van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. “Wij zullen vooral kleine gemeenten straks moeten adviseren net gecreëerde plaatsen weer op te doeken.” Ouders zijn bang dat moeders weer tot 'het aanrecht' veroordeeld zullen worden, aldus een brief die een groep 'bezorgde ouders' aan de minister-president en minister d'Ancona hebben gestuurd.

“Ze mogen blij zijn dat de subsidie nog bestaat”, werpt WVC-medewerker J.W. Baneke tegen. “De stimuleringsmaatregel gold aanvankelijk voor vier jaar en wordt nu, met een korting, verlengd. Bovendien wilden gemeenten zelf verantwoordelijk zijn voor de kinderopvang, dus zullen ze straks ook zelf moeten bepalen welke prioriteit ze eraan geven.”

Behalve ouders, het rijk en de gemeenten is er nog een vierde partij die bijdraagt aan kinderopvang: het bedrijfsleven. Bedrijven kunnen kindplaatsen kopen voor hun werknemers. Ze betalen de kostprijs van de opvang en krijgen een jaarlijkse rijkssubsidie van minimaal tweeduizend gulden. De verhouding gesubsidieerde plaats/ bedrijfsplaats is nu nog twee op een. Het kabinet streeft ernaar die verhouding om te draaien. WVC-medewerker Baneke denkt dat de bedrijven wel wat meer plaatsen kunnen kopen. “In CAO's is veel meer geld gereserveerd voor kinderopvang dan nu wordt besteed.”

Emilie bezet zo'n bedrijfsplaats. De gemeente Rotterdam heeft er veel werk van gemaakt om bedrijven opvangplaatsen te laten kopen. Werkende ouders kregen geen plaats meer in de gesubsidieerde opvang. Ook voor niet-werkende ouders was geen plek meer, tenzij ze studeerden, zoals de moeder van Noor. Het aantal bedrijven dat een plaats koopt is gestegen van tien in 1990 tot 750 nu. “Maar we zijn er nog lang niet”, zegt J. Hekkert, voorzitter van de stichting Kinderopvang voor Bedrijven, die bemiddelt tussen bedrijven en dagverblijven. “Met name in de havens zouden bedrijven veel meer kunnen huren.”

De bedrijven klagen dat kinderopvang ook voor hen onbetaalbaar wordt. “Er bestaat geen concurrentie tussen kinderdagverblijven, daarom zijn de kosten veel te hoog”, vindt A. Schoenmaekers, secretaris van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond. “Met name kleinere bedrijven kunnen dat niet opbrengen.” Ook de manier waarop gemeenten het geld voor kinderopvang besteden zint hem niet: “We betalen jaarlijks zestienduizend gulden per kind en krijgen maar tweeduizend uit de subsidiegelden. De rest gebruiken gemeenten om plaatsen te creëren voor bijvoorbeeld bijstandsmoeders die een cursus willen volgen. Dat is ons een doorn in het oog.”

Ook L.M. van Hoogstraten, secretaris van het Verbond van Nederlanse Ondernemers, vindt dat de subsidie niet via de gemeente zou moeten lopen, maar via de bedrijven. “De stimuleringsmaatregel is bedoeld voor kinderen van werkende ouders. Daarom zou het geld ook direct naar de bedrijven moeten gaan. Nu blijkt zelfs de tweeduizend gulden premie moeilijk te innen.”

De dagverblijven zelf voorzien sombere tijden, nu de subsidie daalt en gemeenten noch bedrijven bereid lijken het verschil bij te passen. “Dat betekent dat zo'n twintigduizend kinderen op straat komen te staan en een verlies van zestienhonderd banen”, voorspelt J. Kalkman, beleidsmedewerker van de Vereniging van Ondernemingen in de Gepremieerde en Gesubsidieerde Sector. “Het zou zo jammer zijn van de vijftigduizend plaatsen die zijn gecreëerd in de afgelopen vier jaar.” Van de ouders moet je ook niet meer geld vragen, vindt ze. “De verhoging die per 1 januari ingaat zal er al toe leiden dat ouders met hogere inkomens een andere oplossing zoeken voor hun kroost. Voor duizend gulden in de maand kun je ook een oppas aan huis betalen.”

De zeventienhonderd kindercentra in Nederland hebben de afgelopen maanden Kamerleden bestookt met boze brieven en kaarten. Ze hopen zo de Kamer op andere gedachten te hebben gebracht, wanneer tijdens de begrotingsbehandeling deze maand de korting op het budget wordt besproken. Peuterleidster Carla van der Weijde, van de 'grote groep' van kinderdagverblijf Beatrix, maakt zich zichtbaar kwaad over het dreigende geldgebrek. “Als we moeten bezuinigen, moeten we plaatsen opzeggen. En als er minder plaatsen zijn, gaat dat ten koste van de werkende vrouwen. Of we zouden moeten bezuinigen op de kwaliteit - en dat kan niet.”

De onzekere tijden voor de kinderopvang volgen op een periode van forse uitbreiding. Dankzij een stimuleringsmaatregel is het aantal kindplaatsen de afgelopen vier jaar uitgebreid van twintigduizend in 1990 tot 66.000 nu. Omdat kinderen zelden een plaats fulltime bezetten, kunnen er ongeveer 120.000 kinderen in dagverblijven terecht. Bijna alle gemeenten hebben inmiddels een of andere vorm van kinderopvang, variërend van gastoudergezinnen tot de 24-uursopvang bij 'Tante Pollewop' in Amsterdam.

De kindercentra waren vooral bedoeld voor het kroost van studerende of werkende ouders. Inderdaad is ruim 95 procent van de gebruikers van kinderopvang werkend of op zoek naar werk. Nog eens 1,7 procent studeert. Uit een onderzoek van het ministerie van WVC blijkt dat voor de meeste moeders de mogelijkheid tot kinderopvang een belangrijke (33,7 procent) of zelfs doorslaggevende (52,4 procent) rol heeft gespeeld in de beslissing om te gaan of blijven werken. Inmiddels blijven vier van de vijf Nederlandse vrouwen werken nadat zij moeder zijn geworden.

Maar nog sneller dan het aanbod van kindplaatsen is de vraag gestegen. Nog altijd staat tegenover één peuter in een dagverblijf, één op de wachtlijst. Ook het Rotterdamse dagverblijf Beatrix heeft meer kandidaten dan op de zestig plaatsen terecht kunnen. Het lage gebouwtje, dat in de jaren dertig werd neergezet als bewaarplaats, krijgt daarom binnenkort een nieuwe babyvleugel. Nu is er nog geld voor.

Behalve geld is ook de kwaliteit van kinderopvang onderwerp van politieke discussie. Binnenkort wordt de nieuwe Welzijnswet behandeld, waarin de controle op de kindercentra wordt geregeld. De wet is nu zo geformuleerd dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit bij de kindercentra zelf ligt. Maar de Commissie Kwaliteit Kinderopvang, vorig jaar door minister d'Ancona in het leven geroepen, vindt dat de overheid basisnormen moet formuleren voor alle kindercentra - ook de particuliere. “In plaats van een leuk plekje voor kinderen wordt het steeds meer een bedrijfje”, aldus commissievoorzitter M.G. Schröder. “De gedachte dat de branche zelf de kwaliteit moet bewaken vinden wij daarom onvoldoende. Als je winst wilt maken, moet je onder de normen werken. Daarom moet je in deze sterk groeiende sector basisnormen vastleggen, zoals de verhouding kind-leidster, het minimum aantal vierkante meters, en hygiëne-voorschriften.”

Ouders zullen volgens Schröder niet gauw klagen over de kwaliteit van kinderopvang omdat ze allang blij zijn dat ze een plaats gevonden hebben. Via de speciaal ingestelde gemeentelijke inspecteur hoort ze wel eens klachten over aankleedtafels die zowel gebruikt worden om luiers te wisselen als om boterhammen te smeren, of over te grote babygroepen. “Baby's worden snel onder de trap gezet als de inspecteur eraan komt.” Maar over het algemeen is de kwaliteit redelijk, aldus Schröder, en is een wettelijke regeling vooral nodig om ervoor te zorgen dat dat zo blijft.

Ook de gemeenten vinden dat je de kwaliteit van kindercentra niet kan overlaten aan de dagverblijven. Ze willen zelf de basisnormen vastleggen. “Rijksinspectie vinden wij onnodig, tenzij gemeenten er een potje van maken”, aldus Rutjens. “Maar dat is niet het geval. Gemeenten inspecteren juist steeds meer.” In Rotterdam wordt de inspectie van de 250 kindercentra uitgevoerd door twee inspecteurs. “We hebben een aantal adressen waarvoor we extra ons best doen”, zegt inspecteur J. Donkervoort. “Waar bijvoorbeeld niet is voldaan aan de brandvoorschriften of waar de groepen te groot zijn. Maar over het algemeen valt het reuze mee met de kwaliteit.” De illegale dagverblijven, die volgens Donkervoort “vast voorkomen” in de Maasstad, vallen buiten de controle. “Die zijn erg moeilijk op te sporen.”

Volgens Djamila Rahman valt het helemaal niet zo mee met de kwaliteit van sommige dagverblijven. Voordat ze zoon Noor naar Beatrix stuurde, belandde hij twee maal in het ziekenhuis. Hij had een ernstige virusinfectie opgelopen in het inmiddels opgedoekte dagverblijf 't Zonnestraaltje. “Het viel me direct op dat het er rommelig was en dat kinderen rondliepen met snotneuzen, maar het was goedkoop en ik dacht: het valt wel mee.” Toen haar zoon voor de tweede keer met spoed naar het ziekenhuis was gebracht, zocht ze een ander dagverblijf.

Ook De Block had klachten over het dagverblijf waar zijn dochters aanvankelijk naar toe gingen: geen daglicht, geen ervaren leiding en nauwelijks mogelijkheid om buiten te spelen. Zaken die hij wel in Beatrix vindt. Volgens het ministerie van WVC is dat de manier waarop de kwaliteit geregeld moet worden: ouders moeten met de voeten kiezen. “Als de kwaliteit niet genoeg is, lopen ze vanzelf over”, aldus Baneke. “De sector kan onderling een systeem van certificaten opzetten zodat je als ouder kunt zien of je safe zit.” Maar Schröder wijst erop dat het aanbod te klein is om keuzes te kunnen maken. “Als er concurrentie was zou het kunnen. Nu is de vraag nog veel te groot.”