Kraaykamp schittert in revuekomedie

Voorstelling: De Sunshine Boys, van Neil Simon. Spelers: John Kraaykamp, Eric van der Donk, Johnny Kraaykamp, e.a. Vertaling: Ger Apeldoorn en Harm Edens. Decor: Tom Schenk. Regie: Berend Boudewijn. Gezien: 6/12 in de Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Aldaar t/m 9/12, daarna elders.

Elf jaar lang hebben de twee vroegere revue-komieken in The Sunshine Boys van Neil Simon elkaar niet gezien - en twaalf jaar lang hebben ze elkaar niet gesproken. Tijdens het laatste jaar van hun samenwerking wisselden ze buiten het toneel dus geen woord meer met elkaar. Maar toen de één er de brui aan gaf, was de ander diep gekwetst; zijn compagnon trok zich terug en hij werd zijns ondanks meegetrokken. Sindsdien koestert hij een diepe rancune, die weer naar boven komt als zijn neef (en agent) eindelijk weer eens werk voor hem heeft gevonden: een eenmalig tv-optreden met uitgerekend zijn vroegere aangever.

The Sunshine Boys werd in 1975 in Nederland gespeeld door Ton Lensink en Joan Remmelts, in een vertaling van Annie M.G. Schmidt, en een jaar later in Hollywood verfilmd met Walter Matthau en George Burns. De voorstelling heb ik destijds niet gezien, de film wel. Het waren - mede door de puntige en geraffineerd gedoseerde dialogen - twee in het vak meer dan doorknede routiniers die daar toen tegenover elkaar stonden, in hun gekrenkte trots, hun gebekvecht en hun feilloze vingertoppengevoel over de beste manier om lachorkanen te oogsten.

John Kraaykamp, die in een nieuwe Nederlandse versie de hoofdrol speelt, heeft dat óók. Geef hem een zin en hij draait er net zo lang aan tot ergens die lach tevoorschijn komt. “Kon ik m'n tekst niet onthouden?” roept hij verontwaardigd uit - en dan, na een onnavolgbare pauze waarin een essentiële draai verborgen zit: “Daar kan ik me niks van herinneren.” Kraaykamp, de man die als geen ander weet hoe het is om met een aangever een komisch duo te vormen, is een brompot in een sjofele kamerjas over een pyjama, een man met een ontevreden hoofd die ernaar hunkert weer de oude Carré-triomfen te vieren, maar niet wil toegeven dat hij daar die ex-collega voor nodig heeft. Zoals hij in een fractie van een seconde misprijzend in een kopje koffie kan kijken, zo kan niemand het. Een paar jaar geleden bleek Kraaykamp de verkeerde acteur te zijn voor The entertainer van John Osborne, omdat hij een veel te goede komiek is om een slechte te spelen. Maar nu, in The Sunshine Boys, valt alles op zijn plaats.

Tegenover hem verschijnt Eric van der Donk als de aangever - een respectabel acteur, die een mooi, ijl heertje met aristocratische trekken neerzet. De eerste kennismaking na al die tijd is, in de zorgvuldige regie van Berend Boudewijn, een toonbeeld van veelzeggende blikken, geladen stiltes en half uitgesproken irritaties. Zodra het tweetal echter begint de oude dokterssketch te repeteren, is Van der Donk voor de doorgewinterde Kraaykamp geen partij meer. En vooral als hij later, in de tv-studio, is uitgedost als een Peter Pech-achtig typetje, wreekt zich zijn gebrek aan de ware komediantenintuïtie. Een echte aangever, zoals Piet Muyselaar was, zou in die situatie de geëxalteerde wanhoop tot grote hoogten brengen. Eric van der Donk lijkt alleen maar hulpeloos; het is lastig hem te zien als een revue-ster van weleer.

Veel komt zodoende op John Kraaykamp neer, en op zijn zoon Johnny die met passende flair de door Simon nauwelijks ingevulde neef speelt. Ze kregen een voortreffelijke vernederlandsing van Ger Apeldoorn en Harm Edens in handen, die het Broadway-variété met veel inventiviteit overplaatsten naar de Tivoli, de Trocadero en andere trekpleisters van het voormalige Nederlandse amusementsbedrijf. Maar als Kraaykamp in de slotscène zegt dat zijn vroegere aangever toch eigenlijk heel grappig was, kost het me voor het eerst in de voorstelling moeite hem op zijn woord te geloven.