In de sloot

Ik ken het verdrinken van mensen uitsluitend van horen zeggen, schreef ik gisteren. Dat is niet helemaal waar.

Het moet in de nazomer van '76 zijn geweest. Jan was anderhalf. Iris en ik hadden met een echtelijke inzinking te kampen. Dat zul je altijd zien - dat zulke dingen zo gebeuren dat ze als straf worden opgevat, of als een waarschuwing.

We zaten vermoeid op een picknicktafel aan de Hollandse Kade. De jongens en de hond liepen los. We hoorden een plons en toen we opkeken: Daan was er, Bello was er, Jan was er niet.

Ik geloof dat hij met de honderiem had lopen slepen, dat die riem als een merkteken op de slootkant lag. In ieder geval zag ik hem daar tussen het eendekroos. Het blonde wier van zijn haar rees langzaam op en zonk weer weg.

Ik liet me in de sloot glijden. Ik herinner me het tastend rondgaan van mijn hand. Ik weet nog dat ik dacht: dit moet in één keer goed, dat ik bezig was me te beheersen. Toen voelde ik het enkeltje van een kinderlaars.

Ik greep verbeten toe en haalde op. Het volgende moment hing hij ondersteboven boven de polder.

Je schrijft over dingen die over zijn, schreef ik gisteren. Dat is ook niet helemaal waar. De ontroering van toen onderga ik nu al schrijvend opnieuw. Het was alsof hij voor de tweede keer ter wereld kwam. Alsof ik de prestatie van zijn moeder had geëvenaard. Tegelijkertijd iets heel mannelijks.