Humor

Ik deed vroeg in de ochtend de voordeur open om een vuilniszak buiten te zetten en werd verrast door een neger die in trainingspak voorbijrende en met een stralende lach zong: “Twee maal twee is vijf!” Bis, maar bij de tweede keer was hij al bijna uit het zicht verdwenen. Het was niet voor mij bedoeld, het optreden van deze performance-kunstenaar, hij deed het helemaal voor zichzelf en juist daardoor maakte het grote indruk op me. Wat wilde deze voorbijschietende schicht met zijn blijde boodschap, wie was hij, een moderne anti-rationalistische filosoof, een soort Paul Feyerabend in vermomming? Terwijl ik de trap weer opliep stelde ik me voor dat hij door een strenge onderwijzer op straat zou worden aangehouden en in de kerkers van het Rationalisme na een proces zou worden gedwongen tot de bekentenis dat het vier was, wat hij royaal toe zou geven, alleen zou hij aan het eind als een moderne Galilei breed lachend zeggen: “En toch is het vijf.” Triomf van de vrije wil over de dode letter, die me van geluk vervulde. Het was een zeldzaam buitenkansje, zo'n moment van verlichting op de vroege ochtend bij het buitenzetten van het vuil. Het zou nog niet meevallen om dit moment van verlichting met de lezers te delen. Als Janmaat in de Kamer zou vertellen dat hij een vreemdeling voorbij zag rennen die “twee maal twee is vijf” zong, zou die anecdote beslist niet in goede aarde vallen. Wees zo welwillend om van me aan te nemen dat ik die voorbijganger niet op zijn janmaats zag, maar als een Zen-meester van de rekenkunde.

Het was alsof de Zen-meesters waren samengekomen in Amsterdam, want toen ik een paar dagen later naar het Stedelijk Museum ging zag ik er nog een, of tenminste zijn werk. Op de tentoonstelling van Georg Herold hing een doek waarvan de hoofdlijn er zo uitzag: ll + lll = llll. De streepjes die u hier ziet waren in het echt rode en zwarte bakstenen. De verleiding is groot om met de tekens die ik uit de diepten van mijn toetsenbord op kan vissen de rest van het doek in te vullen, maar dat laat ik maar, het gaat me om wat de filosofische kernthese van het doek leek te zijn. Die verschilt niet veel van de boodschap van de blijmoedige jogger, maar het moment van verlichting gewerd me deze keer niet. Wat licht, vluchtig en geestverruimend was geweest op de stoep van mijn straat, hing nu zwaar en permanent aan de muur van een museum. Het kan zijn dat ik iets van de grap heb gemist. Het werk heette Russische marmelade, een titel die ik niet snapte. Uit titels van andere werken viel op te maken dat er een zekere kennis nodig was om ze te begrijpen, kennis die ik bij de Russische marmelade blijkbaar miste. De Mandelbrotboom kon ik wel thuisbrengen, dat moest een combinatie van de broodboom en de Mandelbrot-verzameling uit de wiskunde zijn, en Laokoön, een stofzuiger met een lange in zich zelf verstrikte stofzuigerslang, was duidelijk een huiselijke versie van de beroemde beeldengroep van de door slangen belaagde Laokoön en zijn zonen.

Ook als ik de grap vatte, had ik het idee dat het verkeerde medium was gekozen. Voor Herolds twee plus drie is vier had mijn jogger al de volmaakte vorm gevonden. Laokoön leek me in een gedicht thuis te horen. De stofzuiger Laokoön, simpel opgeschreven zou het een onvergetelijk beeld zijn. Desnoods een ansichtkaart, gevonden voorwerp, de titel er met de hand bijgeschreven. Neergezet in een kastje was de stofzuiger me te nadrukkelijk. Dat vonden de meeste bezoekers overigens niet. Er werd veel gelachen in de zalen.

Rudi Fuchs had een aardige inleiding bij de catalogus geschreven. Het ging over zijn liefde voor de Duitse kunstenaars. Het werk van de Duitsers, schreef hij, zag er vaak uit alsof ze eigenlijk geen talent hadden. Wat ze wel hadden was ernst, vasthoudendheid, onverzettelijkheid, trouw aan zichzelf. De ernst van Luther en Calvijn en van onze Mondriaan. Fuchs noemde als voorbeeld de Duitser Kurt Schwitters, die afgezet werd tegen de zwierige zuidelijke lichtekooi Picasso, die zichzelf steeds vernieuwde, doordat het steeds anderen waren van wie hij stal. Georg Herold was volgens Fuchs iemand in deze Duitse traditie van onverzettelijkheid en trouw aan zichzelf.

Ja, daar zat iets in. De werken van Herold hadden iets opzettelijk visueel armetierigs, waardoor de ernst van zijn grappen onderstreept leek te worden.

Ik ben een liefhebber van Marcel Duchamp, die ook veel grappen maakte. Het is ongetwijfeld vanwege zijn grappen dat ik van hem houd, maar ik kan niet zeggen dat ik die grappen altijd leuk vind. Die beroemde Mona Lisa met haar snor en baardje en het scabreuze onderschrift, het valt niet te ontkennen dat die eigenlijk bijzonder flauw is. Duchamp klaagde dat hij de kunstwereld een urinoir en een flessenrek in het gezicht gooide en dat men vervolgens de esthetische aspecten van deze werken besprak. Zo was het niet bedoeld. Misschien niet. Misschien is het zijns ondanks dat het werk van Duchamp er mooi uitziet. Ik geef er de voorkeur aan om te denken dat hij zijn grappen niet ernstig genoeg nam om ze visueel armetierig te maken.

De catalogus van de Duchamp-tentoonstelling die dit jaar in Venetië werd gehouden, ziet er prachtig uit. Voor en achter op de kaft een foto van de plek waar het Canal Grande en het Canale della Giudecca samenkomen, met daarop geprojecteerd het Grote Glas van Duchamp. Een visuele paukenslag. De barsten in het Grote Glas kan je met de ogen dicht met je vingers op de foto voelen. Wat een mooie druktechniek. Binnenin is alles ook een lust voor het oog. Maar als om te waarschuwen tegen de esthetisering van het cerebrale, hebben de samenstellers zich ook een grap gepermitteerd, dat hoort blijkbaar als je over Duchamp schrijft. Met voorbeeldige vlijt hebben ze duizenden dagen uit het leven van Duchamp gedocumenteerd. Maar ze hebben die dagen niet in chronologische volgorde afgedrukt, maar volgens wat ze een 'astrologisch principe' noemen. Eerst alles wat op 19 mei gebeurde, van 1914 tot 1967. Dan 20 mei, en zo het hele jaar rond. Er is voor gezorgd dat iemand die iets zoekt het nooit zal kunnen vinden. Ik ga de ongeveer vierhonderd pagina's van de levensbeschrijving (aan paginanummering doen ze natuurlijk niet, dat zou te conventioneel zijn) kopiëren, de duizenden items uitknippen, in een hoge hoed gooien en dan in chronologische volgorde inplakken. De grap bedorven. Ik houd niet van grappen die te ernstig genomen willen worden.