Bezuinigingen dodelijk voor patiënten

Terwijl er kortelings een behoedzame processie van Echternach tussen beide 'grootste' politieke partijen heeft plaatsgevonden over het inschalen van euthanasie als wel/niet juridisch vervolgbaar handelen, voltrekt zich onder onze ogen een indringender drama.

Het gaat hierbij om een geleidelijk geaccepteerde vorm van barbarij die in ons ethisch voortrekkersland haar weerga niet kent, en waaromtrent curieus genoeg tussen politieke voorlieden van socialistische, confessionele en liberale huize een merkwaardig pact van stilzwijgen heerst, dat bijna associaties oproept met het begrip 'omertà'.

Men stelle zich voor hoe het scenario omtrent 's mensen levensloop zich voltrekt. De vrouw heeft een gemiddelde levensverwachting van circa 80 jaar, de man van 70 jaar. Naar uit gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie reeds lang bekend was (en in ons land kortgeleden herontdekt), worden de laatste tien levensjaren gekenmerkt door chronisch ziek- of onwel zijn, en de allerlaatste vijf levensjaren door invaliditeit en hulpbehoevendheid.

De grootste boosdoeners zijn hart- en vaatziekten, gewrichtsziekten en dementie (geestelijke aftakeling). Binnen dit complex zijn duidelijke categorieën chronisch zieken te onderscheiden, die door rechtlijnige medisch-chirurgische ingrepen te helpen zijn, in het bijzonder degenen met kransslagaderverstopping en die met slijtage van heupgewrichten. Voor de tienduizenden waar het in ons land om gaat is een remedie beschikbaar en toch ook weer niet, omdat zij onder invloed van het fenomeen ziekenhuisbudgettering hun tijd gelaten moeten afwachten.

Over deze door de bezuinigende overheid afgedwongen wachtlijsten deed kortgeleden een afschrikwekkend verhaal in de pers de ronde, dat een aanmerkelijk percentage van de hartpatiënten gedurende het verblijf op de wachtlijst komt te overlijden. De situatie zou zelfs vergelijkbaar zijn met die van ruim 10 jaren geleden, de periode waarin de luchtbruggen voor hartoperaties in het buitenland hoogtij vierden.

Die situaties zijn niet vergelijkbaar, want destijds bezaten wij nog niet volgende capaciteit en verspreiding van expertise om de nood te lenigen. Nu is de capaciteit er wél, maar er bestaat een veto van de kant van de overheid om deze mogelijkheden naar behoren te benutten. Hetzelfde geldt voor het beïndigen van de invaliditeit van mensen met onbruikbare heupgewrichten.

Wat bezielt een overheid om zulk een leed willens en wetens te laten voortbestaan? Men kan hier slechts bij benadering een antwoord op verzinnen, dat door ingewijden overigens waarschijnlijk als irrelevant zal worden afgedaan, zoals het gewoonlijk gaat op het scheidingsvlak tussen politiek en burgerzin.

De oordeelsvorming over deze verachtelijke regie in de gezondheidszorg wordt van de kant van degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn gekenmerkt door een schrikbarende oppervlakkigheid en meedogenloosheid. Zo bestond een vooraanstaand overheidsadviseur het onlangs de kanttekening te plaatsen dat zulke wachtlijsten een nuttige indicatie vormen voor de potentiële aanvullende behoeften in de gezondheidszorg en bovendien een soort garantie geven dat de medische professie niet te actief is.

Zulke afstandelijke statistische evaluaties tegen de achtergrond van een immens aantal individuele lijdenswegen het mensvriendelijke gezicht van de overheid doen verworden tot een cynisch masker: de gezondheidszorg omgevormd tot een soort triagesysteem op het slagveld.

Het is mij een raadsel dat zulke respectabele organen als de Koninklijke Maatschappij ter Bevordering van de Geneeskunst nog geen drastische besluitvorming tegen dit alles hebben ontwikkeld. En het is bijna nog verwondelijker dat de rebelse groepering 'Lekker Dier' zich niet heeft omgesmeed tot een vastberaden actiefront ten behoeve van de noodlijdende oudere medemens; men zou toch mogen hopen dat deze groepering minder misanthroop is dan de calculerende overheid.