Analisten voorzien faillissementen bij beursfondsen

BREDA, 7 DEC. Fokker zal binnenkort een beroep moeten doen op de geldbuidel van de Duitse moeder Deutsche Aerospace (Dasa). De vliegtuigfabrikant, die begin dit jaar werd overgenomen door Dasa, stevent af op een faillissement met een zekerheid van 94,9 procent. Naast het staalconcern Hoogovens, populair bij beleggers en beursanalisten, zijn Atag (onder meer keukenapparatuur, fietsen) en textielfabrikant Gamma in mindere mate “in gevaar”.

Dat concludeert het Bredase onderzoeksbureau De Breed & Partners, dat bij 42 beursfondsen heeft onderzocht hoe groot de kans is op een faillissement. De Breed & Partners heeft bij het onderzoek gebruik gemaakt van de zogenoemde ƒ ire-analyse, gebaseerd op een methode die eind jaren zeventig werd ontwikkeld aan de TU Twente door prof. dr. J. Bilderbeek. Elders in Europa analyseren andere bureaus met behulp van soortgelijke methodes eveneens jaarverslagen van ondernemingen. Het meest in het oog springend is het Britse adviesbureau Syspass dat in 1988 het faillissement voorspelde van het uitgeversimperium van Robert Maxwell, drie jaar later.

ƒ ire staat voor ƒ ailure Indicating Rate for Enterprises. Simpel gesteld komt deze methode erop neer dat de onderzoeker financiële gegevens van failliet gegane bedrijven en het verloop van deze gegevens vóór faillissement vergelijkt met de gegevens van lopende bedrijven. De ƒ ire-score is een kwantitatieve methode van onderzoek en zegt dus niets over het management of de bedrijfsstrategie. Als een bedrijf op grond van het model hoger scoort dan nul, hoeft het zich geen zorgen te maken over een spoedig bankroet. Hoe verder de onderneming daarentegen minder dan nul scoort, des te groter de kans op een faillissement.

Onderzoeker drs. H. Minnaar van de Breed & Partners wist met de nodige moeite aan curatoren van ruim vijftig ter ziele gegane ondernemingen ruim 200 jaarverslagen te onfutselen over de periode 1987 tot 1992. Het onderzoeksbureau bepaalde per branche welke combinatie van financiële gegevens de beste voorspellende waarde voor een faillissement heeft. De Breed, dat eerder een dergelijke analyse maakte voor de automatiseringsbranche, deed dat nu voor de voedings-, textiel-, grafische-, machine- en elektrotechnische sector. Daarnaast bekeek Minnaar met een zogenoemd 'dynamisch model' hoe bij de 42 beursfondsen de verschillende financiële ratio's de afgelopen jaren veranderden en of er in deze veranderingen kenmerken zitten van een falende onderneming.

Op grond van de twee toegepaste modellen scoorden 22 beursfondsen duidelijk hoger dan nul, zestien schommelden vlak boven het nulpunt. De eerder genoemde vier bedrijven scoorden duidelijk negatief. De resultaten van De Breed wijken op een groot aantal punten af van de opvattingen van effectenanalisten over een aantal beursfondsen. Zo is volgens De Breed de op de effectenbeurs verguisde Begemann Groep (score volgens het 'branchemodel machinebouw' in 1992: 0,99) van Joep van de Nieuwenhuyzen er qua financiële gezondheid niet slechter aan toe dan 'beurslieveling' Stork (1992 score 0,22, in 1991 nog 1,15).

Een andere opvallende conclusie uit het onderzoek is dat uitgever De Telegraaf (6,72) het beter doet dan concurrent Elsevier (1,33). In de voedingssector valt op dat de positieve score van brouwer Grolsch na de overname van de Duitse brouwer Wicküler is teruggelopen van 2,85 (1991) naar 0,70 (1992). BolsWessanen scoort sedert de fusie begin vorig jaar daarentegen duidelijk beter, 5,59 in 1992 tegen 3,43 in 1991. Opvallend is verder dat bij Philips weliswaar sprake is van een dalende lijn, maar dat het elektronicaconcern vergeleken met failliete branchegenoten nog duidelijk positief scoort. De Breed voegt daar als kanttekening aan toe dat een zekere “gereserveerdheid” past bij het toepassen van gegevens van kleinere failliete bedrijven op een multinational als Philips.