Afrekening met Israels messiaans militarisme

In Israel is een bittere discussie uitgebroken over het optreden van gewapende kolonisten in de bezette gebieden tegen de Palestijnen, in het bijzonder in de stad Hebron. Opheffing van de (meeste) joodse nederzettingen lijkt een voorwaarde voor vreedzame coexistentie met de Palestijnen.

TEL AVIV, 7 DEC. Het is muisstil in de zaal van het Cameri-theater in Tel Aviv waar de val van een militaire held uit de Zesdaagse Oorlog ten tonele wordt gevoerd. Eigenlijk wordt in het toneelstuk Gorodisch van Hillel Mittelpunkt afgerekend met het tijdperk van overmoed, van messiaans militarisme dat zo kenmerkend was tot de Grote Verzoendagoorlog van 1973 er een zwarte streep door zette.

Centraal personage in het toneelstuk is generaal Shmuel Gonen die van de arrogante held die hij in 1967 was tot slachtoffer wordt gemaakt van het politieke en militaire leiderschap, zes jaar later. De opvoering van het stuk heeft een symbolische politieke betekenis. Het draagt de boodschap uit dat de in 1967 geboren dromen van een machtig Israelisch imperium voorbij zijn, dat, nu het vredesproces met de Palestijnen op gang is gekomen, naar de realiteit moet worden teruggekeerd, naar de werkelijkheid van vóór 1967.

De toeschouwers nemen die boodschap van Mittelpunkt zonder protest tot zich. Zwijgend verlaten ze de zaal, diep in gedachten verzonken over wat was en wat nog komt. Op het toneel worden de actuele politieke vraagstukken niet aangeroerd. Maar de signalen zijn overduidelijk en het publiek begrijpt dat heel goed. De na 1967 gevoerde politiek is op een mislukking uitgelopen en dat geldt in het bijzonder voor de nederzettingenpolitiek in de bezette gebieden, in de Sinaï-woestijn, op de Golan-hoogvlakte, op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook.

Nu de onlusten in de bezette gebieden tussen Israelische kolonisten en Palestijnen, afgewisseld door acties van speciale legereenheden tegen gezochte Palestijnen zulke dramatische vormen aannemen, blijkt dat de verspreiding van de nederzettingen de uitvoering van het akkoord van Oslo tussen Israel en de PLO om veiligheidsredenen zo moeilijk maar niet onmogelijk maakt. Naarmate er meer bloed vloeit aan beide kanten, valt het steeds moeilijker in te zien hoe kolonisten en Palestijnse politie in de Palestijnse bestuursautonomie kunnen coëxisteren.

De dynamiek van de gebeurtenissen van de afgelopen weken doet de vraag rijzen of het excentrieke optreden van gewapende kolonisten tegen Palestijnen, en omgekeerd, uiteindelijk niet zal leiden tot de conclusie van de zijde van de regering dat opheffing van de (meeste) nederzettingen een voorwaarde voor een vreedzaam samenleven met de Palestijnen is. De kolonisten snijden zich misschien diep in eigen vlees, tenzij zij er met steun van de nationalistische oppositie in slagen het vredesproces te laten ontsporen.

Die elementen spelen bij de bittere discussie die in Israel is uitgebroken over het optreden van gewapende kolonisten in de bezette gebieden tegen de Palestijnen, in het bijzonder in Hebron. Sommige ministers zijn zelfs van mening dat er geen verschil is tussen het terrorisme van Israelische en Palestijnse zijde tegen het vredesakkoord tussen Israel en de PLO. Joodse en Palestijnse fundamentalisten zijn er om geloofsredenen op uit de vredessfeer in bloed te smoren.

Over de Palestijnen heeft de regering-Rabin voorlopig nog militair maar geen moreel gezag. Anders is het gesteld met extremisten onder de kolonisten die de autoriteit van het leger en het democratisch karakter van de staat Israel dezer dagen nogal zwaar op de proef stellen. Tot dusver heeft de regering-Rabin weinig werkelijke spierkracht getoond tegen deze uitdaging. De indruk bestaat dat het moordlustige optreden van kolonisten in Hebron het afgelopen weekeinde daarin verandering heeft gebracht en via de keiharde tv-beelden de ogen eindelijk voor de realiteit zijn opengegaan.

Michael Ben Yair, de nieuwe juridische adviseur van de regering, heeft de raad van joodse nederzettingen een “opstandig orgaan” genoemd wat tot strengerechtsvervolging tegen de leiders van de kolonisten kan leiden. De raad van nederzettingen is hard bezig om een eigen bewakingsdienst, Hashomer (bewaker), in het leven te roepen om de kolonisten in de nederzettingen te beschermen tegen de Palestijnse politie die volgens de akkoorden van Oslo over niet al te lange tijd in de nu nog bezette gebieden zal verschijnen. Ook provoceert deze raad met een voorstel voor verdubbeling van het aantal nederzettingen, om zo de vredeskansen verder te ondermijnen.

Premier Yitzhak Rabin heeft zich ook uitgesproken tegen de oprichting van Hashomer. Leiders van de nationalistische oppositie zijn ziedend dat de regering-Rabin zich door de slogans van het linkse vredesfront op sleeptouw laat nemen en aan het recht tot zelfverdediging van de 130.000 kolonisten in de bezette gebieden is gaan tornen. Zij eisen van Rabin opheldering over het onwettige karakter van de zelfverdedigingsbeweging van de kolonisten.

Dit debat raakt het hart van het vergelijk tussen Israel en de PLO dat via de tussenoplossing van zelfbestuur volgens de logica van het politieke proces moet uitmonden in de stichting van een Palestijnse staat in de door Israel bezette gebieden. Thans blijkt duidelijker dan ooit dat vooral de Likud-regering vanaf 1977, maar daarvoor ook de socialisten, nederzettingen in de bezette gebieden hebben gesticht om de stichting van een Palestijnse staat te voorkomen.

Dit uitgangspunt is thans even onhoudbaar gebleken als de apartheidspolitiek in Zuid-Afrika. In het akkoord van Oslo tussen Israel en de PLO wordt gezegd dat de nederzettingen tijdens de overgangsperiode op hun plaats blijven. Maar nu blijkt in de onderhandelingen tussen Israel en de PLO dat twee nederzettingen in de Gazastrook zodanig liggen dat hun aanwezigheid uitvoering van het akkoord daar in de weg dreigt te staan.

Gisteren zei minister van buitenlandse zaken Shimon Peres in dit verband dat de “spreiding van de nederzettingen het probleem is”. Zijn onderminister Jossi Beilin zegt voortdurend in het openbaar dat de kolonisten zich er rekenschap van moeten geven dat een deel van de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, in de Gazastrook en op de Hoogvlakte van Golan onvermijdelijk onder niet-Israelische soevereiniteit zal komen.

Met het akkoord van Oslo is definitief een einde gekomen aan de door messiaanse verwachtingen gevoede nederzettingenpolitiek. Vooral religieuze joden kunnen om fundamentalistische redenen niet aanvaarden dat de bijbelse aanspraken op 'Erets-Israel' om politieke redenen teloorgaan. Ze vechten een verloren strijd die des te pijnlijker voor hen is doordat Rabin hun niet voldoende duidelijk maakt dat Israel met de akkoorden van Oslo in feite begonnen is met de terugtocht naar de grenzen van juni 1967.