Ze zijn gewaarschuwd

Een van de mooiste, spannendste volksfeesten die ik me uit mijn jeugd in Groningen herinner was de dag waarop ze tot vandaag herdenken hoe ze in 1672 onder leiding van Rabenhaupt werden verlost van de hinderlijke belegering van 'Bommen Berend', de bisschop van Münster, 28 augustus.

Honderden bommen moesten de arme Groningers verdragen. Ze kwamen zelfs op de Grote Markt terecht en natuurlijk op de huizen aan het Zuiderdiep waar je ze nog in de gevels kunt tegenkomen. Uit de richting halfweg Helpman werden ze afgeschoten. Er zijn er die beweren dat sommige 'Stadjers' ze er nog tien jaar na de belegering zelf hebben ingemetseld, maar dat zal ook wel weer niet waar zijn. Wel waar gebeurd is het verhaal van dat kleine wicht dat in haar pure onschuld met water uit een regenplas de brandende lont van een net neergedaalde bom doofde, omdat ze het gesis zo leuk vond. Ze heeft een hele straat van de ondergang gered of een stukje steeg, in elk geval haar kleine kinderlijf.

28 augustus. Al was het een door-de-weekse dag, we hoefden niet naar school. 's Morgens werd je door klokgelui gewekt. Het was altijd mooi weer op 28 augustus. Snel je bed uit. Wat stond ons niet allemaal te wachten tot bijna diep in de nacht? De stad was propvol kermis. De mooiste kermis van de wereld voor slechts één dag. Ik hoor nog het gefluit van de stoomcarrousel op de Vismarkt bij de leeszaal. De Kop van Jut. De Hobbelende Geit. Jaren heb ik als kind gedacht dat het 'de Hobbel en de Geit' was. Maar goed. De cakewalk tegenover het stadhuis. En die heerlijke kramen op de vismarkt. Die geuren. Paling. Zuurstokken. Oliebollen. Het water loopt me in de mond als ik er aan denk. Ik had een tante die in een kraam stond waar ze samen met haar man levensgrote slagroomsoezen verkocht. Als haar man even niet keek stopte ze je er gauw een paar toe, terwijl die man, die gierigaard, er om de haverklap zelf een in zijn mond stak. Een dikke zuurbal, waarvan je verhemelte helemaal ruw werd van het zuinige gezuig. Of als je geluk had, dus geld, een zuurstok, waarvan ik nu nog steeds niet weet of ik die rose nu lekkerder vond dan die bruine met kaneel. 's Avonds héél, héél laat vuurwerk. Ik heb aardig wat vuurwerken gezien, tot in Italië toe, maar het vuurwerk uit mijn jeugd op de Grote Markt in Groningen, daar kon niks tegenop.

Maar de dag begon natuurlijk met de hengstenkeuring. Op de noorderkant van de Grote Markt tegenover het Goudkantoor. Vurige rossen met strikjes in hun staart. Hoefgetrappel op de grijze kasseien waar zand op was gestrooid. Of weet ik het niet meer zo goed? In elk geval: stro en paardepies. De stoere mannen die de paarden voor de hoge heren lieten draven. De vlaggen. Het rinkelend carillongewaaier uit de Martinitoren, over ons uitgestort door de vuisten van dikke beiaardier Everts uit de Hofstraat. Hoe kwam die man toch steeds die kilometershoge toren op? 'Van Lauwerszee tot Dollard tou.' De ommelanders in hun beste goed. Petten een beetje scheef op de kop. De nuvere wichter, arm in arm. Otto Eerelman. (Waar hangt dat schilderij trouwens, of waren ze toen ook al te beroerd dat werk voor Groningen te behouden, zoals dat nu dreigt te gebeuren met het werk van Jetses?)

Toen bij de laatste bevrijding van Groningen de hele noordwand was uitgebrand stonden alleen de historische puien nog overeind. Als ik de foto's ervan bekijk in het boek van Schuitema Meijer, dan kan ik me nog woedend maken dat ze ze niet hebben gespaard, dat ze die hebben opgeofferd 'voor de vooruitgang'. Juist die noordkant is zo indrukwekkend. Wat een ruimte. Wat een grandeur. Als je vanuit de Zwanestraat de Grote Markt opgaat. Aan het einde de Martinitoren. Nergens in Nederland is een weidser plein. Een getuigenis van vrijheidszin. Van openheid. Niet benepen of onderworpen.

En nu lees ik in deze krant dat juist dat gedeelte van de markt zal worden 'volgebouwd'. Opgeofferd aan de vooruitgang. Ik dacht een moment dat ik gek geworden was. Dat ik niet meer kon lezen. Maar ze willen het echt doen. De mensen die ik er over sprak zeggen: iedereen is er tegen, maar 'ze' gaan door. Openheid wordt dichtgesnoerd. Vol. Eén ding is zeker: als dat zo is, zet ik nóóit en te nimmer meer een voet in mijn moederstad! (Als ik het volhoud tenminste.) Maar ze zijn gewaarschuwd, daar in Groningen.