Schadeclaim curator op bestuur HCS

AMSTERDAM, 6 DEC. De curatoren van het failliete automatiseringsconcern HCS stellen een aantal voormalige bestuurders van HCS aansprakelijk voor “onbehoorlijk bestuur”. Via juridische procedures zullen de curatoren proberen een deel van de schade van het HCS-faillissement op de bestuurders te verhalen.

Dat heeft curator mr. W. Bekkers vanmiddag desgevraagd bevestigd. Het onderzoek naar het faillissement van HCS werd in september 1992 gestart. “Op basis van de onderzoeksresultaten tot heden komen curatoren tot de conclusie dat het bestuur zijn taak niet naar behoren heeft vervuld”, schrijven curatoren mr. R.J. graaf Schimmelpennick, mr. E. Bogaerts en mr. W. Bekkers in hun vierde verslag over het faillissement van HCS.

De oud-bestuurders hangt nu een forse schadeclaim boven het hoofd. Eerder werden in Nederland bij grotere geruchtmakende faillissementen als die van Ogem, Bredero en de Tilburgsche Hypotheekbank bestuurders en commissarissen aansprakelijk gesteld. HCS-curator Bekkers wees erop dat bestuurders in kleinere faillissementen “regelmatig” aansprakelijk worden gesteld, maar dat die zaken veelal buiten de publiciteit blijven.

Het is Nederland tot nu toe nauwelijks tot een veroordeling van aansprakelijke bestuurders gekomen, omdat betrokkenen meestal een veroordeling 'afkopen'. Zo werd vorige maand bekend dat twee van de vijf commissarissen van de in 1983 gefailleerde Tilburgsche Hypotheekbank (THB) na jarenlang procederen samen meer dan één miljoen gulden hebben betaald om hun persoonlijke aansprakelijkheid voor het bankroet van de bank af te kopen.

Nog niet duidelijk is welke bestuurders van HCS aansprakelijk zullen worden gesteld. In de onderzochte periode 1988 tot 1992 waren respectievelijk drs. J.J. Kuijten en E.P. van den Boogaard president-directeur van HCS. Een andere belangrijke bestuurder was drs. J.J. Sanders, tot 1992 financieel directeur van HCS.

De curatoren stellen in hun verslag vast dat de resultaten in 1988 en 1989 “minder rooskleurig waren dan de directie deed voorkomen”. Daarbij nam de directie “onverantwoorde risico's”, doordat de omvang van acquisities “de draagkracht van HCS verre te boven ging”. De overnames kwamen tot stand “zonder voldoende voorbereiding, terwijl noodzakelijke directiebemoeienis achteraf uitbleef”. HCS betaalde herhaaldelijk “een te hoge prijs” voor overgenomen bedrijven. Daar kwam nog bij dat “beoogde synergie-effecten niet of onvoldoende werden uitgebuit”.

Verder had het bestuur “onvoldoende greep” op de organisatie binnen HCS. De kosten werden bij tegenvallende resultaten “onvoldoende en niet tijdig bijgesteld”. En ten slotte bleven de gerealiseerde resultaten “voortdurend achter bij de taakstellingen”, aldus het verslag waarbij de curatoren zich hebben laten bijstaan door registeraccountant prof.drs. C. Izeboud van de Vrije Universiteit.

de curatoren hebben nog niet besloten of ze de oud-commissarissen en accountant KPMG ook aansprakelijk zullen stellen. Uit het verslag blijkt dat de betrokkenen van mening verschillen of de commissarissen over voldoende informatie beschikten om hun toezichthoudende taak naar behoren te vervullen. De curatoren beslissen over enkele maanden of er voldoende grond is om ook commissarissen aansprakelijk te stellen.

Curator Bogaerts sprak al eerder de verwachting uit dat de bestuursaansprakelijkheid bij HCS een zeer grote juridische klus zal worden omdat bij HCS veel bestuurswisselingen zijn geweest. Zo was financier drs. J.J. Kuijten aanvankelijk directeur bij HCS, maar was hij later als commissaris niet meer bij de feitelijke bedrijfsvoering betrokken. Kuijten bracht HCS naar de beurs, maar stapte vlak voor aankoop van het Amerikaanse distributiebedrijf Savin op als directeur. De aankoop van Savin bleek later een belangrijke factor bij de ondergang van HCS.

De curatoren zulen in een later stadium gedetailleerder verslag doen over het HCS-faillissement en degenen die aansprakelijk zijn.