Resten van slachtoffers Bijlmerramp op puinstort

AMSTERDAM, 6 DEC. Resten van slachtoffers van de Bijlmerramp in oktober 1992 zijn op de vuilstortplaats gekomen omdat de burgemeester van Amsterdam, Van Thijn, de berging van de doden wilde versnellen. Dat zegt de leider van een bergingsteam van het Rampen Identificatie Team (RIT) van de politie. Vanavond zendt het actualiteitenprogramma NOVA hierover een gesprek uit met L. van der Pols, chef van het RIT. Morgen komt de NOS met een documentaire over het RIT.

In de documentaire “Iemand moet het toch doen”, over het werk van het RIT, vertelt R. Jeremiasse dat Van Thijn het RIT tot spoed maande. Van Thijn schatte het aantal slachtoffers van de ramp met het Israelische vrachtvliegtuig op tweehonderdvijftig. De schatting van het RIT, enkele dagen na de ramp, was veel lager, tussen de vijftig en honderd doden. Er werden uiteindelijk drieënveertig doden geborgen.

De burgemeester van Amsterdam baseerde zijn schatting onder meer op een buitenlandse deskundige. Volgens een woordvoerder van het RIT zouden bij zo een hoog aantal slachtoffers op het terrein van het rampgebied veel meer stoffelijke overschotten hebben gelegen. Hij meent dat Van Thijn het RIT niet als volwaardige partner in het onderzoek heeft beschouwd.

De documentaire, gemaakt door Oscar van der Kroon en Paul Stolk, gaat over het werk van het RIT bij rampen in Faro, Suriname en Nepal. De RIT bestaat sinds 1982.