Maak verloren levensjaren de maatstaf voor ontwikkelingshulp

Volgens Joris Voorhoeve hebben alle wantoestanden, rampen en andere vormen van buitenlands leed met elkaar gemeen dat zij levensjaren verloren doen gaan. Als maatstaf voor ontwikkelingshulp stelt hij daarom het aantal niet-gerealiseerde levensjaren voor: jaren waar men gezien de gunstigste levensverwachting recht op heeft, maar die door allerlei tegenslag niet gehaald worden.

Door de grote veranderingen in de wereld sinds 1989 en de bezuinigingen op ontwikkelingshulp is de vraag wat het doel van de hulp moet zijn opnieuw aan de orde. Minister Pronk heeft in de nota 'Een Wereld in Geschil' de weg vrij gemaakt voor verbreding van de ontwikkelingssamenwerking en integratie in het buitenlands beleid.

Er is nu een scala van doelstellingen zoals armoedebestrijding, economische verzelfstandiging, milieuzorg, mensenrechten, democratisering, opvang van vluchtelingen, humanitaire noodhulp, vredesoperaties, versterking van binnenlands bestuur, demilitarisering van arme landen, vreedzame conflictoplossing en opbouw van internationale organisaties.

Dit zijn allemaal lofwaardige doelstellingen. De middelen om ze te bereiken zijn echter zeer beperkt: de internationale ontwikkelingssamenwerking stagneert al jaren. Nederland levert weliswaar in verhouding tot het nationaal inkomen een redelijke bijdrage van 0,85 procent van het BNP. Maar op het totaal is dat 5 procent van de officiële ontwikkelingshulp van alle donors. Die vijf procent is slechts een minuscuul percentage van het totaal aan binnen- en buitenlandse middelen die nodig zijn om alle beoogde doelstellingen te bereiken. Er moet dus scherp worden nagedacht over de prioriteiten. Daarvoor is het nodig, de verschillende vormen van buitenlands maatschappelijk leed dat verlicht moet worden, met elkaar te vergelijken en de dringendste vraagstukken te selecteren.

Maar hoe zijn honger, burgeroorlog, verdrukking en tropische ziekten met elkaar te vergelijken? Is malaria erger dan burgeroorlog? Is honger erger dan onderdrukking? Armoede, ziekte, geweld en andere vormen van onveiligheid hebben met elkaar gemeen dat zij levensjaren verloren doen gaan. De levensduurverwachting correleert heel duidelijk met maatschappelijke ontwikkeling. In hoogontwikkelde samenlevingen is de gemiddelde levensduurverwachting bij de geboorte bijna 80 jaar. Individueel geluk van mensen is niet meetbaar, maar wordt veel sterker door gezondheid en levensduur bepaald dan door monetair meetbare verschijnselen. De kwantiteit van vroegtijdige dood is een redelijke, omgekeerde maatstaf voor de kwaliteit van het leven in een land. Als noemer en maatstaf van urgentie zou daarom het aantal niet-gerealiseerde levensjaren kunnen worden gebruikt. Die maatstaf leidt tot de volgende urgentielijst.

1. Jaarlijks sterven 13 miljoen kinderen onder 5 jaar ofwel 35.000 per dag. Tweederde van hen sterft in slechts 10 landen. Het aantal per land wordt niet alleen door bevolkingsomvang bepaald. China en India hebben een zelfde aantal geboorten, maar in India overlijden driemaal zoveel kinderen voor het vijfde jaar. Bovendien is er geen strak verband tussen armoede en kindersterfte. Het gemiddelde van Zuid-Azië is 131 per 1000, maar in Sri Lanka is het 21, wat eenzesde is van het niveau van India, terwijl het inkomen per hoofd weinig verschilt. In Cuba is het 12 per 1000, maar in Haïti 137. In Zweden 5, in Nederland 8 en in de VS 11. Het slechtste niveau heerst in Sub-Sahara Afrika met gemiddeld 183, maar in Niger zelfs 320. Daar sterft dus een van de drie levendgeborenen voor het vijfde jaar. De hoge kindersterfte is kwantitatief de grootste factor van verloren levensjaren. De oorzaken zijn vooral honger, ziekte, ongelukken, geweld en gebrek aan geboortenregeling.

2. Op de tweede plaats staat sterfte vanaf het vijfde levensjaar door ziekten en honger. Ik heb daar geen mondiale cijfers van. De FAO schat het aantal personen dat slecht of ondervoed is op 730 miljoen. De sterfte die daar het gevolg van is bestaat uit de zojuist genoemde kindersterfte van 13 miljoen per jaar plus voortijdige sterfte onder ouderen dan vier jaar. Deze zal vele miljoenen per jaar bedragen. De belangrijke oorzaken zijn dezelfde als kindersterfte.

3. Op de derde plaats komt sterfte door oorlog en burgeroorlog. Dit schommelt hevig van jaar tot jaar. Voor de twintigste eeuw kom ik op gemiddeld 1 à 1,5 miljoen doden per jaar. Misschien is dat cijfer te laag, omdat grootschalig geweld veel maatschappelijke ontwrichting veroorzaakt, die weer tot sterfte door honger en ziekte bijdraagt. Een indicatie is het grote aantal vluchtelingen: er zijn thans 19 miljoen internationale vluchtelingen en 24 miljoen binnenlandse vluchtelingen.

4. Op de vierde plaats van de lijst van voortijdige doodsoorzaken komen schadelijke consumptie- en leefgewoonten. Er is geen mondiaal totaalcijfer, maar als voorbeeld kan sterfte door tabaksgebruik dienen, ongeveer 1 miljoen per jaar.

5. Op de vijfde plaats komen politieke moorden van staatswege buiten oorlogshandelingen. Voor de periode 1917-1990 schat ik die op ongeveer 1 miljoen per jaar.

6. De zesde categorie is verkeersdoden, ongeveer 600.000 per jaar.

7. De zevende is natuurrampen, ruw geschat op 300.000-500.000 per jaar.

Eigenlijk moeten zulke jaarlijkse sterftecijfers nog gecorrigeerd worden met de gemiddelde leeftijd van de overledenen, om een juiste rangschikking naar niet-gerealiseerde levensjaren te krijgen. Zo'n correctie verhoogt het belang van de factor kindersterfte. Aangezien de oorzaken van hoge kindersterfte zoals honger, slecht drinkwater en ziekten ook een groot deel van de sterfte vanaf het vijfde levensjaar verklaren, is de conclusie dat het verlagen van deze sterftecijfers door voorziening in basisbehoeften rationeel de hoogste prioriteit verdient.

Een economische afweging van marginale opbrengsten en kosten versterkt die conclusie. Verschaffing van basisbehoeften is economisch en technisch uitvoerbaar en kost weinig per ontvanger. De afgelopen decennia is bewezen dat het kan. In de tijd van één generatie is de kindersterfte in ontwikkelingslanden gehalveerd en de gemiddelde verwachte levensduur met 30 procent gestegen. Tegelijkertijd is het gebruik van contraceptieve middelen van bijna nul tot boven 50 procent gerezen. Er is dus duidelijk vooruitgang geboekt, die in de nabije toekomst nog aanmerkelijk verbeterd kan worden.

Topprioriteit in de buitenlandse hulpverlening verdient dus bevordering dat in de landen met de hoogste kindersterftecijfers in de eerste basisbehoeften wordt voorzien. Dat zijn schoon drinkwater, voldoende voedsel, eenvoudig onderdak, basisgezondheidszorg, primair onderwijs en geboortenregeling.

Pas geleden is de nota Een Wereld in Geschil in de Tweede Kamer besproken. Kamer en minister concludeerden dat duurzame armoedebestrijding het centrale doel van ontwikkelingssamenwerking moet blijven, ondanks alle veranderingen in de wereld. Die overeenstemming is verheugend. Het gaat er echter om, hoe binnen dat ruime begrip, duurzame armoedebestrijding, de prioriteiten feitelijk worden gesteld. De zojuist genoemde cijfers leiden tot de conclusie dat het om voorziening in basisbehoeften en geboortenregeling moet gaan. Waar door oorlog, burgeroorlog of geweld van staatswege geen basis-ontwikkelingsprojecten uitgevoerd kunnen worden, zal de prioriteit humanitaire noodhulp moeten zijn, wat eveneens op basisbehoeften is gericht.

Het aantal absoluut armen, dat wil zeggen mensen met een inkomen van 1 dollar (van 1985) per dag of minder, is ruim 1 miljard. Zij leven vooral in Zuid-Azië (562 miljoen) en Sub-Sahara Afrika (196 miljoen).

De Wereldbank heeft uitgerekend welke minimumgroei nodig is om het aantal armen te verminderen. Men verwacht in Oost-Azië en Latijns Amerika de komende 7 jaar een hogere groei dan dat minimum. In Zuid-Azië ligt de verwachte groei net onder het minimum, en in Sub-Sahara Afrika flink eronder, namelijk 3,3 procent in plaats van het minimaal nodige van 4,7 procent. In beide gebieden zal het aantal absoluut armen dus waarschijnlijk sneller groeien dan de bevolking. Deze gegevens bevestigen dat armoedebestrijding moet worden geconcentreerd op Sub-Sahara Afrika en Zuid-Azië.

Dit zijn de gebieden waar men van chronische rampen kan spreken. Daar komen de tijdelijke of acute rampen bovenop, veroorzaakt door burgeroorlog, oorlog, ineenstorting van het bestuur, natuurrampen en industriële ongelukken. Deze acute rampen kunnen tijdelijk in een land en periode natuurlijk veel grotere aantallen slachtoffers eisen dan de chronische rampen.

Vermoedelijk zullen de aantallen slachtoffers als gevolg van geweld en andere acute rampen geleidelijk omvangrijker worden. Er is geen statistisch bewijs voor die stelling, maar zij is gerechtvaardigd op grond van de exponentiële stijging van de burgerslachtoffers in oorlogen sinds het begin van de eeuw als gevolg van de wapentechnologie. Ook de groeiende bevolkingsdichtheid en kwetsbaar geworden ecologische situatie wijzen in die richting.

De keuze voor het hoogste marginale effect in termen van levensbehoud leidt tot de conclusie dat humanitaire noodhulp, voorziening in basisbehoeften en geboortenregeling de drie top-prioriteiten in het beleid moeten zijn. Daarmee wil ik niets zeggen ten ongunste van zulke belangrijke doeleinden als democratisering en mensenrechten. Maar men moet eerst het leven fysiek beveiligen tegen bedreigingen die hoge sterfte veroorzaken. Eerst bloed stelpen, magen vullen en ziekten bestrijden. Pas daarna is er ruimte voor de opbouw van een democratische samenleving.

Nadruk op basisbehoeften lijkt vanzelfsprekend, maar is het niet. Slechts 6,5 procent van alle bilaterale hulp wordt daar aan besteed. Voor Nederland is het 10 procent en Noorwegen 20 procent. Met de huidige hulpgelden kan dus nog veel meer voor basisbehoeften worden gedaan.