Hotel overwintert met stapelbedden

Langs een plein, een remise en een eenzaam benzinestation. Door een lange straat en dan langs water. Opnieuw huizen, een basketbalveldje, een kerk met een futuristische klokkentoren. De grijze wolken boven de stad hebben een gouden randje. Het is zondag en stil en niemand op straat.

Nog veel en veel verder is hotel National. Een paar Engelse jongens stappen in een klein busje. De enige gasten van het hotel. Het bier van de vorige nacht tolt nog door hun hoofd. “Great”, zeggen ze met dikke tongen. Wat ze verder in Amsterdam hebben gedaan verdwijnt in onvast gegorgel.

Het toerisme in de hoofdstad loopt terug. Hotels kampen met leegstand. “Dublin en Boedapest zijn meer in trek dan de stad van de grachten”, constateerde de VVV onlangs in een uitgebreid onderzoek. “Alleen als deze bloeien komt het nog vol”, zegt de receptionist van hotel National, en hij trekt een poster van de Keukenhof onder de balie vandaan. Zuchtend overhandigt hij de sleutel aan een grote donkere man met een kind op zijn arm. De man wil een ook muntje voor de koffie-automaat. De receptionist kamt zijn snor en laat de man wachten.

Er zijn geen toeristen, maar sinds deze zomer heeft hij geen gebrek meer aan werk. National in Slotermeer is één van de drie Amsterdamse hotels waarmee het ministerie van WVC een overeenkomst heeft gesloten voor de opvang van asielzoekers. Honderd vluchtelingen, die tegen een rijksvergoeding van 45 gulden per nacht de lege kamers het hotel bewonen. “We hebben speciaal stapelbedden voor ze gekocht”, vertelt de receptionist. Vier op een kamer, voornamelijk mannen. “Het zijn er zoveel, je moet ze wel stapelen. En als je mevrouw d'Ancona moet geloven kan je ze straks helemaal niet meer kwijt.”

Wat hij van het nationale asielbeleid vindt steekt hij niet onder stoelen of banken. Overal recessie, werkloosheid, faillissementen. “En Pronk zegt: we zijn nog lang niet vol. Tja”, zegt hij en spreidt zijn armen. “Die buitenlanders worden hier in de watten gelegd, kan ik u vertellen.”

Aan de plastic tafelkleedjes in de eetzaal zitten wat mannen te schrijven. Achterin de zaal spelen twee jongens pingpong. “Drie maanden”, zegt Milko terwijl zijn ogen het balletje volgen. Al drie maanden zit hij in National. Hij komt uit Joegoslavië, zegt hij uitdrukkelijk. Dat hij nu in Amsteram zit kan hem niet zoveel schelen. Het centrum is te ver en van twintig gulden zakgeld per week kan hij geen strippenkaart kopen. “Ik wacht. Ik zit hier en ik wacht.”

Op verzoek van d'Ancona besloot de gemeente een paar weken geleden om in zijn lege hotels nog eens duizend asielzoekers extra op te vangen. Onmiddellijk meldde de eigenaar van het jeugd-budgethotel Kabul in de Warmoesstraat zich voor 240 plaatsen. “Wij hebben een heel speciale formule”, zegt hij tussen de tapijten en schilderijen van zijn ruime benedenwoning in de Jordaan. “Over de hele wereld komen jongeren, en ook ouderen naar dit hotel om er hun culturen uit te wisselen en samen te zijn.” Zelfs psychologen zouden de loftrompet steken over de 'unieke formule' van zijn hotel, dat een paar jaar geleden nog trieste bekendheid genoot vanwege de vele buitenlandse junks die er aan overdoses Amsterdamse heroïne omkwamen. “Heroïne heb je overal”, vergoelijkt de eigenaar, terwijl hij de televisie zachter zet waarop PvdA-voorzitter Felix Rottenberg discussieert over de vraag of Nederland vol is.

Het leek de gemeente echter geen goed plan om in het zwaarbelaste Wallengebied ook nog eens een paar honderd asielzoekers te vestigen. “Flauwekul”, meent eigenaar Esmaeil. “De Wallen zijn een heel warm gebied waar iedereen zich thuis kan voelen.” Esmaeil is niet boos maar wel een beetje verdrietig. “Ik heb mijn best gedaan”, zegt hij. “Als emigrant heb je toch een stukje gevoel voor die mensen.”