Een hond is hundo maar hij doet boi

Wat ooit een bloeiende beweging was met een katholieke en protestantse zuil, een arbeiders- en een politiek-neutrale organisatie, is nu ineengeschrompeld tot een wekelijkse bijeenkomst van vijf veteranen in een achterzaaltje op een industrieterrein aan de Amsterdamse Polderweg.

Anno 1993 drijft de Esperantistenbeweging vooral op legaten. De zuilen bestaan nog slechts in naam want het ledental holt achteruit. Een leraar, mismoedig: “Helaas slaat onze propaganda niet aan bij de jongeren.”

Zeven mensen volgen in Amsterdam nog een cursus Esperanto. Behalve aan de Polderweg is er een cursus aan de universiteit. Twee studenten volgen daar in hun vrije tijd een gastcollege van de overkoepelende Esperantistenvereniging UEA (Universale Esperanto Associo). Publiciteit kan misschien de huidige malaise verlichten, en uitsluitend daarom gaat de UEA-secretaris en gastdocent R. Moerbeek met de journalist in zee. Liefst vermijdt hij de pers helemaal na enkele slechte ervaringen. De vrouw van Moerbeek heeft een goede oplossing. “Schrijf liever niet over ons; de oudjes. Als je schrijft over de jongeren, is dat veel betere reclame voor ons.” Zo gezegd zo gedaan.

De UvA is de enige universiteit in Nederland waar Esperanto onderwezen wordt. Twee studenten en Marion uit Zeist volgen het college in de Oudemanhuispoort. Mevrouw Moerbeek, die net als Marion blind is, heeft de Zeistse aangespoord eens per week de lastige reis naar Amsterdam te maken. 'Konversacio' is essentieel. Als iemand vonken kan laten overspringen op zijn gehoor, dan is het de gedreven heer Moerbeek wel. In de rol van imitator van verschillende accenten vergeet hij zichzelf. Hij knauwt het Esperanto van een Amerikaan, met zuinige geluiden bootst hij de Japanner na, en boers wordt Moerbeeks Nederlandse Esperanto.

Vandaag heeft hij een tas met knuffelbeesten meegenomen. “Kio estas tio?”, vraagt Moerbeek terwijl hij een pinguïn op het brailleboek van Marion werpt. Marion zoekt met haar vingers over de bobbeltjes en antwoord hakkelend: “Pingueno estas birdo” (een pinguïn is een vogel).

Wanneer Moerbeek over vroeger spreekt, komt er afgunst in zijn ogen. Het verleden staat gelijk aan idealen en succes. Toen, vóór de tijd van de televisie, kwamen er makkelijk zeventig cursisten op een avond van de katholieke Esperantisten. De opkomst was nog groter bij de Arbeiders- en de Spoorweg-Esperantisten. De VARA-radio zond elke week het socialistische nieuws uit in het Esperanto. Moerbeek: “Na de oorlog was een tijd van hoop. Wij geloofden dat wanneer ieder Esperanto zou spreken de wereldvrede zou aanbreken.” In de crisisjaren, enkele decennia eerder, nam het Esperanto, door toedoen van onder andere Drees (zelf bevlogen Esperantist) een hoge vlucht. Werklozen die een cursus Esperanto volgden konden stempelen bij de leraar, wat uren wachten bespaarde. De droom van Zamenhof (1859-1917), de Poolse oogarts die eind vorige eeuw het Esperanto uitvond, leek langzaam bewaarheid te worden. Dat is ijdele hoop gebleken.

Frans van Eemeren, voorzitter van de faculteit der Letteren, wist niet dat het vak Esperanto uniek was voor zijn universiteit. Van Eemeren: “Dat is ook niet de reden dat de Universiteit van Amsterdam het privaatdocentschap aanhoudt. Eerder is het een overblijfsel uit het verleden.” De universiteit schrapt zo'n vak louter wanneer daar heel zwaarwegende argumenten voor zijn. De UvA heeft er verder ook geen kind aan want de UEA financiert alles. Het Esperanto is een van de vier privaatdocentschappen aan de letterenfaculteit. Muziek van Voor-Indië, Bulgaars en Servokroatisch zijn de andere drie. Het zijn alle vier vakken die in vergelijking met moderne talen als het Engels, Spaans of Nederlands een marginale positie innemen binnen de letterenfaculteit.

De psychologiestudente Marja Stuifbergen is een van de twee studenten op het gastcollege. Ze heeft een talenknobbel. Eigenlijk wil ze alle talen op aarde verstaan. Dat universalisme is dan ook het enige ideaal dat ze deelt met de oude garde. “Ik vind het vooral erg grappig”, zegt ze, “een hond is een hundo, maar hij doet boi.” Ze ziet wel hoe ver ze komt. Nodig voor haar studie heeft ze het in ieder geval niet.

Studiepunten zijn met de cursus ook niet te halen. De andere student, Mark Overman (23), studeert internationale betrekkingen. Hij is niet alleen een taalmaniak, het Esperanto is ook handig voor eventuele internationale contacten. Een esperanto-adept kan immers gebruikmaken van de paspoortservice: adressen over de hele wereld van Esperantisten waar je (bijna) gratis kan slapen. Met deze service hoopt de beweging te bereiken dat het Esperanto zich verspreidt als een olievlek.

Het Engels mag het Esperanto dan met lichtjaren zijn voorbijgestreefd, Esperantisten delen de stellige overtuiging dat deze hegemonie zijn langste tijd heeft gehad. Een nationale taal bevoorrecht immers altijd zijn eigen sprekers en leent zich daarom niet als wereldtaal. Daarbij is Engels in tegenstelling tot het Esperanto nodeloos ingewikkeld, zeker voor niet-Europeanen. P. Butter, de leraar van de Polderweg, geeft een voorbeeld van de ongelijkheid die elke nationale taal in zich bergt. “Op een congres in Finland zag ik hoe twee Spanjaarden, een gastarbeider in Zweden en een hoogleraar Engels, bijzonder prettig contact hadden in het Esperanto terwijl hun sociolect toch mijlenver uit elkaar lag.” Dan toont Esperanto zijn ware democratische gezicht, vindt Butter.

Na de val van de Muur was er een kleine opleving in het ledental te bespeuren. Hieruit putten veel Esperantisten hoop. Ook daar haalden de tijd en de televisie het Esperanto in. Dat in landen als Iran en China, die onderhuids fel gekant zijn tegen de Angelsaksische overheersing, het Esperanto groeit is voor de Esperantisten licht in de duisternis. Trots vertelt Butter dat de directeur van Air France in Madagascar een van de 7.000 leden is van de UEA. “Hij voelt zich overal gediscrimineerd in het Westen behalve onder Esperantisten”, aldus Butter.

“Tussen haakjes”, merkt Butter na afloop van het interview nog op, “wel leuk dat u over ons schrijft, maar uw onderneming is zinloos. Wittgenstein zei reeds dat het menselijk denken bepaald wordt door het vermogen dingen te benoemen. Omdat een journalist gevangen is in het begrippenapparaat van zijn moedertaal, kan hij nooit in duizend woorden schrijven over ons uitgedijd geestesleven. Want doordat wij meer kunnen benoemen, zijn wij buiten dat begrippenapparaat gekomen.”

Er gloort licht aan de horizon voor de taalutopisten. De experimenten met een vertaalcomputer die de logische structuur van het Esperanto als basis neemt beloven veel. Enkele wetenschappers (onder wie de oud-professor in de psychologie A.D. de Groot) zijn verder bezig een bijzonder hoogleraarschap Esperanto in het leven te roepen. Hun interesse gaat niet zozeer uit naar het Esperanto als taal maar meer naar het internationale communicatienetwerk rond Esperantisten over de gehele wereld.

Over internationale netwerken gesproken, het echtpaar Moerbeek krijgt bezoek van een Litouwse scheepsarts. Deze wil het door mevrouw Moerbeek vertaalde boek Anne Frank is niet van gisteren, geschreven door de Nederlandse schrijfster Mies Bouhuys, uit het Esperanto naar het Litouws vertalen. Meestal heeft de arts toch niets beters te doen dan over de zee te staren.