De lage-lonen landen

Koningin Sirikit van Thailand sprak er over voor de lokale televisie: “Het is verdrietig om te zien dat kinderen 's morgens al om vier uur van huis moeten vertrekken om maar op tijd op school te zijn.” Zo ernstig zijn de verkeersopstoppingen in Bangkok, speciaal in de regentijd, wanneer auto's en bussen soms urenlang niet vooruitkomen. Thailand boomt maar Bangkok heeft geen metro en het wegennet beslaat maar 9 procent van het oppervlak van de stad tegen ongeveer 25 procent in Westerse metropolen. Dus zijn de schoolkinderen 's morgens drie uur onderweg, moeten vermoeide secretaresses na het werk nog tot 's avonds tien uur in de bus hangen, en verkopen benzinestations de 'Easy Pee', een mobiel toilet voor in de file.

In China is er gemiddeld één telefoon per honderd inwoners, en dat vormt nu een ernstige handicap voor de economische groei. In de hoofdstad Peking is de nood zo hoog gestegen dat smeergeld tot tweeduizend gulden (dat is meer dan een jaarsalaris) wordt betaald om maar hoger op de wachtlijst te komen.

Met Thailand en China onderhoudt Nederland een zwevende wisselkoers die iedere dag verandert. De koers van de baht en de renminbi yuan (CNY) reageert op vraag en aanbod van investeerders, exporteurs, importeurs, speculanten en toeristen. Bij de huidige stand van de wisselkoersen zijn Thailand en China lage-lonen landen: stellen wij het Nederlandse loon op 100, dan is 4 of 5 een redelijk cijfer voor Thailand, en 2 of 3 voor China. Als ministers De Vries en Kok dan praten over 'grote beleidsinspanningen' om de Nederlandse loonstijging volgend jaar op de nullijn te houden, hoop ik maar dat ze niet denken daarmee iets te bereiken voor de concurrentie van Nederland met Thailand en China. Want laat ons loon volgend jaar inderdaad op 100 blijven, in plaats van door te stijgen naar 102, dan zijn onze lonen niet 20,4 maal zo hoog als in Thailand, maar 'slechts' 20 maal, en niet 34 maal zo hoog als in China, maar nog steeds 33,3 keer.

Het is absurd om loonmatiging te propageren als middel om industriële werkgelegenheid te beschermen tegen vertrek naar Thailand of China. Ten eerste omdat onze lonen niet zullen dalen van honderd tot vijf, vier, drie of twee. Laten we liever hopen dat door snelle economische groei de lonen in Azië stijgen tot onze honderd en nog hoger. Ten tweede omdat een procent meer of minder loonmatiging volkomen in het niet valt tegen fluctuaties in vrije wisselkoersen, die bovendien compenseren voor bewegingen in de lonen. Ten derde omdat wij veel beter posititef kunnen concurreren met Thailand en China door onze voorsprong op het gebied van onderwijs, telefoonnet en andere essentiële zaken verder uit te bouwen. Dat is al moeilijk genoeg, en alle tijd van politici en vakbonden die op gaat aan praten over loonmatiging gaat ten koste van aandacht voor de kwaliteit van ons land.

Gelukkig toonde een recent opinie-onderzoek onder internationale zakenmensen aan dat Nederland een van de vijf beste landen ter wereld blijft voor wat betreft het gemak en de kwaliteit van het telefoonnet (Financial Times, 9-11- 1993). En hoewel onze universiteiten voor hetzelfde geld een stuk beter zouden kunnen, leren Nederlandse kinderen op de basisschool meer dan hun leeftijdgenoten in Bangkok die overdag in de klas moeten uitrusten van de vele uren in de file. Bedrijven kijken natuurlijk naar al zulke factoren en heus niet alleen naar de loonkosten. Daarom zal Bangkok wel een keer een metro krijgen, en China een beter telefoonnet. Tegen die tijd zijn de baht en de Chinese geldeenheid meer waard geworden ten opzichte van onze gulden, en slinkt het nu nog kolossale verschil tussen hun loonkosten en die bij ons in Nederland op de goede manier, namelijk door hogere produktiviteit en hogere inkomens dáár. En dat is dan iets waar ook wij ons over kunnen verheugen.

In de tussentijd zouden wij de gouverneur van Bangkok kunnen adviseren over het aanleggen van een metro in de drassige delta van de Chao Praya rivier, en helpen wij de Chinezen met hun havens en vliegvelden. China reserveert bijna driehonderd miljard gulden voor betere infrastructuur en een flink deel daarvan komt terecht bij buitenlandse bedrijven. Dat betekent invoer voor Thailand en China en werk en winst voor ons, als wij ons tenminste gunstig blijven onderscheiden van onze OESO-concurrenten. In tegenstelling tot wat veel politici schijnen te denken, hebben landen als Thailand en China meestal een tekort op hun buitenlandse handel en bestellen ze dus veel meer bij ons dan wij bij hen. China koopt dit jaar naar schatting voor 170 miljard in het buitenland, en verkoopt voor een waarde van 155 miljard. Thailand heeft al enige jaren naar verhouding nog veel grotere tekorten op de buitenlandse handel. Hoe sneller China en Thailand groeien, des te meer kunnen wij daar verkopen.

Andersom zijn goedkope produkten uit China en Thailand in onze winkels ook gunstig voor de Nederlandse welvaart, want des te meer geld houden onze consumenten over om te besteden aan andere zaken. Omdat onze poloshirts voor een deel uit Macau komen zijn ze lekker goedkoop en houden wij geld over voor een weekend bij Centerparcs of een extra cd van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. En wie werken daar? Precies. En ook al verschuift de produktie naar lage-lonen landen, distributie, service en onderhoud blijven hier. Nederland maakt minder fietsen, maar heeft meer fietsvakantiewinkels. Meer Nederlanders hebben een baan in de verkoop, service, of software-ontwikkeling voor computers, en in het uitleggen van WordPerfect, dan er ooit hadden kunnen werken in een Nederlandse computerfabriek. In de randstad werkt al 83 procent van de beroepsbevolking in de dienstensector, en het percentage zal verder stijgen.

U zult zeggen: de hoogleraar heeft makkelijk praten, want de Erasmus Universiteit vertrekt niet naar een lage-lonen land. Dat is waar, en wij moeten meer geld, aandacht en sympathie hebben voor Nederlanders die wél ander werk moeten zoeken, maar op die voorwaarde is de snelle groei van Thailand en China en hun integratie in de wereldeconomie veel meer een kans dan een bedreiging. Zolang de kwaliteit van Nederland en haar bevolking maar blijft stijgen. In deze column is geen plaats meer, maar we kunnen denken aan radicaal privatiseren - van stations tot economische faculteiten -, aan een ernstig gesprek over de behoudende rol van de vakbonden bij politie, gemeenten en in het onderwijs, aan een nieuwe start met de ziektewet en aan het spectaculair verlagen van de belastingen. Onderwerpen genoeg voor 1994 en allemaal veel belangrijker en constructiever dan één of twee procent loonmatiging.