Bij het veer

Zaterdag eindigde ik met de hallucinatie van twee drenkelingen, die zich beurtelings ten koste van elkaar boven water werkten. 'De Waal. Herwijnen. Iets voorbij het Brakels veer.' En toen was ik door mijn regels heen.

Op het moment dat ik dat schreef, mijn verkoudheid bedolven onder een lading Ascal, had ik natuurlijk helemaal geen last van die hallucinatie. Je schrijft niet als je hallucineert. Je schrijft ook niet als je kiespijn hebt. Je schrijft over dingen die over zijn, of over lijken.

Maar in de nacht daarvoor had ik er wel degelijk last van gehad. Het was zo'n gewaarwording die je in een stiekem steegje bij je kladden grijpt. Je spert meteen je ogen open en probeert ze opengesperd te houden. Om niet te worden meegesleurd.

Overigens ken ik het verdrinken van mensen uitsluitend van horen zeggen. De bedoelde Waalbocht daarentegen kan ik wel dromen; zij behoort tot het panorama van mijn vroege jeugd. Dus een geheid geval van fictie en werkelijkheid.

Stel nu dat de dood zich aan je voordoet als een laatste hallucinatie, wat heel waarschijnlijk is, en dat deze hallucinatie uit verdrinken in de Waal bestaat, wat blijkbaar mogelijk is. Nou, dat lijkt me best te verdragen. Dat heeft zelfs wel iets van een terugkeer naar je voorouders.

En nu ben ik wéér door mijn regels heen. Ik moet ze toch eens om de hele voorpagina vragen.