Reizend door de Gouden Eeuw

British Travellers in Holland during the Stuart Period. Edward Browne and John Locke as Tourists in the United Provinces

DOOR C.D. VAN STRIEN

444 blz., geïll. E.J. Brill 1993, ƒ 195,-

In het dorpje Loosduinen, thans opgeslokt door Den Haag, woonde vroeger de gravin van Hennenberg. Ooit had zij een arme vrouw met een tweeling een aalmoes geweigerd en ze moest dat bekopen met een vervloeking. Die hield in dat ze zoveel kinderen zou baren als er dagen in het jaar zaten en zo gebeurde het ook. Op Goede Vrijdag van het jaar 1276 baarde zij precies 365 kinderen, zo groot als muizen, waarvan de jongens allen Jan en de meisjes Elisabeth heetten. Moeder en kinderen stierven op één dag en werden begraven in de kerk van Loosduinen. Het doopvont waar al die ongelukkige graafjes en gravinnetjes in waren gedoopt stond in diezelfde kerk en het hele verhaal stond daarin gegraveerd.

Deze plek was in de zeventiende eeuw een van de grote toeristische attracties van Nederland. Geen buitenlander sloeg hem op zijn reis door de Republiek over. Voor dergelijke plekken, waar mythe en geschiedenis nauw met elkaar waren verknoopt bestond grote belangstelling. Ook plekken die met de recente geschiedenis of met historische helden verband hielden werden frequent bezocht: de royale graftombes van Willem van Oranje, Tromp, De Ruyter en Piet Heijn, het standbeeld van Erasmus in Rotterdam en het huis van Laurens Jansz. Coster te Haarlem, het stond allemaal op het programma van de toerist.

Van de toenmalige toeristische trekpleisters kunnen wij er niet zo heel veel meer herkennen. Geen bollenvelden, musea en deltawerken stonden op het programma, maar steden en hun openbare gebouwen, schoon platteland met mooie buitenhuizen en op gezette tijden zo'n half mythische, half historische plek.

200 Reizigers

Van de zeventiende-eeuwse Engelse toerist in Nederland en aan dergelijke observaties is het boek gewijd waarop C.D. van Strien promoveerde en waarvan nu een handelseditie is verschenen. In deze studie komen zo'n 200 Engelse reizigers aan het woord die in de zeventiende eeuw ons land hebben doorkruist. Soldaten, diplomaten, kooplieden, studenten en doortrekkende toeristen, merendeels van goede komaf, onder wie overigens vrijwel geen vrouwen. Wat hier gepresenteerd wordt is dus maar een fractie van de waarnemingen van tienduizenden toeristen die hier hebben rondgereisd.

Reizigers die iets van hun observaties noteerden konden dat doen in verschillende vorm, tijdens de reis in dagboeken en brieven of achteraf in memoires of reisverslagen. Deze teksten zijn verleidelijk. Het zou zo mooi zijn om ze op te kunnen vatten als ooggetuigeberichten, als tijdmachines van papier. Maar dat waren ze maar zelden. Doorgaans zijn ze aangepast en gestileerd en dat komt omdat reizigers geacht werden te reizen en te observeren volgens vastgelegde patronen. Er bestond een soort reisretorica die bepaalde wat men in een land of in een stad bezoeken moest en in welke volgorde. Men diende zich te verdiepen in de geschiedenis, de geografie, de middelen van bestaan, het bestuur en de religie en daarom in de daaraan verbonden concrete uitingen zoals overheidsgebouwen, kerken, pleinen, strafinrichtingen, sociale instellingen, markten en beurzen. Was voor een land eenmaal een dergelijke canon van bezienswaardigheden vastgelegd, dan kon die eeuwenlang meegaan.

Verdobbeld

Reizigers bereidden zich thuis al voor door het lezen van reisgidsen of geografische beschrijvingen en ze wisten dus wat ze geacht werden te zien. Men bekeek een land met geprogrammeerde ogen. Op hun beurt schreven ze die observaties op en dat kon resulteren in alweer een reisverslag dat weinig nieuws bevatte. Dat indoctrineerde op zijn beurt weer een volgende generatie reizigers en zo bleven de gebaande wegen intact. Originaliteit werd in dit genre weinig geapprecieerd. Alleen hoogst originele waarnemers wisten af te wijken van het journaal- en dagboekpatroon, maar hun notities bleven privé en werden in de tijd zelf nooit gedrukt. Het dagboek van Samuel Pepys, die in 1660 ons land bezocht, is daar het bekendste voorbeeld van.

Een verslag van zo'n reis heeft ook vaak gediend als een brevet van goed gedrag. Veel van de toeristen waren jonge mannen die door de vader op een prijzige grand tour waren gestuurd. Vader kon thuis lezen hoe goed de zoon het programma had afgewerkt, hoe braaf hij deze praktische oefening in aardrijkskunde en geschiedenis had doorlopen, maar nooit zou hij er achter komen hoeveel tijd er op de kaatsbaan was rondgelummeld, hoeveel geld in de herberg was verdobbeld of wat zoonlief in dat louche drinkhuis had uitgespookt. En helaas komt ook de hedendaagse onderzoeker daar dus niet achter.

In een zeldzaam geval is te reconstrueren hoe iemand zijn observaties omwerkte tot een reisboek. In 1668 bijvoorbeeld reisde de vierentwintigjarige Edward Browne hier rond, als onderdeel van een grote tocht door Europa. Hij was een veelbelovende arts en schreef tijdens zijn reis regelmatig brieven aan zijn vader. Bovendien hield hij een dagboek bij. In 1677 publiceerde hij An Account of Several Travels. Brieven en dagboek zijn bewaard gebleven en door Van Strien in een appendix opgenomen, zodat precies te volgen is hoe het uiteindelijke boek tot stand is gekomen. Browne schrapte persoonlijke waarnemingen en levendige details en voegde allerlei 'verstandige' mededelingen, ontleend aan geleerde geografische en historische boeken, toe. Eeuwig jammer. Brownes voor Nederland zeer lovende boek is nogal eens herdrukt en vertaald en heeft dus voor latere reizigers en auteurs het beeld over Nederland mede bepaald. Nog in 1767, dus een eeuw na Brownes reis, werd er nog lustig uit overgeschreven.

British Travellers in Holland is de neerslag van een omvangrijke zoektocht in archieven en bibliotheken dat veel onbekend materiaal heeft opgeleverd. Na een inleiding op het soort reizigers dat hier aan het woord is, hun motieven om dit land te bezoeken, hun route en de waarde van hun geschreven observaties, behandelt Van Strien een reeks thema's. Zo lezen we over de transportmiddelen (koets, zeilschip, trekschuit), het voedsel (de Nederlanders voeden zich met 'onions, roots, herb, milk and pickled herrings''), de taal (geen probleem, de meeste Nederlanders spreken een buitenlandse taal, meestal Frans) en huisvesting (redelijk). Deze thematische behandeling krijgt soms een opsommerig karakter en de vele thematisch gerangschikte observaties blijven wel eens in de lucht hangen, omdat de auteur ze niet afzet tegen de gegevens die bekend zijn uit andere bronnen. Het feitelijke historische decor ontbreekt en Van Strien doet ook geen poging om een ontwikkeling te schetsen in een eeuwlang Holland-watching.

Schilderkunst

Nederland komt er, ondanks de drie oorlogen die in de zeventiende eeuw met Engeland gevoerd zijn, goed af. De door Van Strien behandelde Engelen zagen Nederland als een welvarend land met een effectief transportsysteem. Voor de armen, de wezen, de zieken en de ouderen bestonden goede voorzieningen, er waren uitstekende universiteiten, religieus fanatisme ontbrak en de tolerantie werd geprezen. De nijvere bevolking was wars van modieusheid en leefde sober. De vrouwen werden nogal eens afgeschilderd als bazig en de mannen dronken te veel. 's Winters bewegen de Nederlanders zich bliksemsnel voort over het bevroren water. 'The winter is here their pleasentest time,'' schreef een Engelsman in 1666, 'It's so cold they cannot work and its is necessary to play.''

Opvallend weinig hebben die Engelsen geschreven over wat nu de bekendste uiting van Nederlandse cultuur is: de schilderkunst. Maar van Strien heeft daar ook geen speciale aandacht aan besteed. Hij beschrijft wel hoe de reizigers kunst in openbare gebouwen bekeken en dat ze schilderijen in winkels kochten, maar daar blijft het bij. Een van de aardigste observaties over Nederlandse schilderkunst dateert uit 1696. Daaruit blijkt dat die schilderkunst zelfs als referentiepunt gebruikt kon worden. Op zijn reis per boot van Leiden naar Utrecht stopt een Engelse heer halverwege bij een herberg. Er blijkt zojuist een begrafenis te zijn geweest en de rouwenden verwerken dit door veel te drinken, te eten, te dansen, te zingen en over elkaar heen te buitelen. Het leek, schreef hij, precies een levende voorstelling van 'a Dutch droll, such as we see often drawn in pictures''.

Hier wordt dus niet, zoals dat in onze eeuw zou gebeuren, een schilderij gebruikt om het Hollandse leven in de Gouden Eeuw te illustreren. Hier kon het omgekeerde nog plaatsvinden. De werkelijkheid werd vergeleken met een vrolijk genreschilderij vol met onbekommerde Hollandse boertjes die zich vrolijk maakten. Dergelijke taferelen bestaan nog alleen als het lang gevroren heeft en de Nederlanders en masse de gladde ijzers onderbinden. Rode wangen en bonte kleren gaan op in een roes van walmende chocolademelk en schettermuziek. Koek en zopie moet een van de oudste lieux de mémoire van ons land zijn.