Peregrine Worsthorne; Een heer van stand in de journalistiek

Tricks of Memory. An Autobiography

DOOR PEREGRINE WORSTHORNE

290 blz., geïll., Weidenfeld & Nicolson 1993, ƒ 65,65

Hoeveel boeken er over de Engelse upperclass verschenen zijn - het blijft een fenomeen met mysterieuze kanten. Een buitenlander zal bijvoorbeeld nooit aanvoelen wie wèl en wie nét thuishoort in die kaste. De Markies van Bath, de hertog van Westminster, de Montagu's, de Longfords: zonder twijfel. Vita Sackville-West ook, maar haar echtgenoot Harold Nicolson? Upper middleclass, meer niet. En de koninklijke familie? Voor de oudste adel is die, net als in Nederland overigens, toch niet zo èrg netjes. Maar onvergelijkelijk veel keuriger dan de nieuwe adel. Zelfs voor de conservatiefste landedellieden zal barones Thatcher een kruideniersdochter blijven. Misschien is ouderdom nog het best herkenbare criterium: hoe ouder de titels, de stambomen, de kastelen en het geld, des te hoger de sociale positie.

Peregrine Worsthorne, ex-hoofdredacteur van de Sunday Telegraph en conservatief in hart en nieren, voldoet niet aan alle normen. Hij heeft geen erfelijke titel, (had) geen geld, geen voorouderlijk kasteel of buitenhuis. Niettemin behoort hij tot de upperclass, van de eerste minuut na zijn geboorte tot het eind toe.

Wie een autobiografie begint met de zin: 'Ik werd op 22 december 1923 geboren in 81 Cadogan Square in Chelsea,'' laat voor de goede verstaander weten dat hij niet van de straat is. Verder hoeft er niet over klasse gesproken te worden - het zou buitengewoon burgerlijk zijn om dat te doen. Het komt allemaal vanzelf, de namen van de society-kopstukken verschijnen automatisch. Alle 290 bladzijden van Tricks of Memory blaken van vanzelfsprekendheid en zelfvertrouwen, ondanks herhaalde vermeldingen van verlegenheid en onzekerheid.

Het vanzelfsprekende schuilt vooral in de terloopsheid waarmee de absurditeiten en excentriciteiten worden beschreven. De jonge Worsthorne weet bijvoorbeeld niet wie zijn vader is, want tijdens zijn jeugd wordt diens naam niet éénmaal genoemd door familie en bedienden. Later blijkt vader een zekere Kooch de Gooreynd te zijn, een charmante, vriendelijke nietsnut van Belgische afkomst die zijn hele leven geen slag gewerkt heeft. De belangrijkste reden daarvoor was dat hij na de Eerste Wereldoorlog op zijn éénentwintigste een kwart miljoen pond erfde.

Worsthorne lijkt van die jeugd geen psychische schade te hebben opgelopen, hoewel zijn autobiografie daarover geen details geeft. Toch doet hij, zeker naar Engelse maatstaven, zijn best om eerlijk te zijn over zichzelf. Zonder de gebruikelijke hypocrisie vertelt hij bijvoorbeeld over een mooie homoseksuele vriendschap in Cambridge. Dat hoorde erbij, zo was de sfeer nu eenmaal in de beau monde van de oude universiteiten. En hij spaart zichzelf niet in beschrijvingen van zijn behoefte om een rol te spelen - vaak tegen zijn ware behoeften en karakter in.

Natuurverschijnsel

Het wordt geen echte bekentenisliteratuur zoals wij hier kennen; Worsthorne voldoet ook in dit opzicht aan het cliché van de afstandelijke Brit. Hij erkent hier en daar dat de wereld waarin hij leeft enigszins bijzonder is, maar tegelijkertijd neemt hij een natuurverschijnsel waar: zo is het nu eenmaal. Het verbazingwekkende is dat deze journalist, zeker niet insulair en goed bereisd, zich zo weinig verbaast over zijn eigen land.

Voor de buitenlander zijn het verhalen uit een compleet andere wereld, die zorgvuldig ontcijferd moeten worden. Een voorbeeld. Na Cambridge en de militaire dienst (Worsthorne werd officier maar had niet bepaald 'a good war', dat wil zeggen niet veel veldslagen, onderscheidingen en een hoge rang aan het eind) moest hij een baan vinden. Een oom bood een positie aan op diens effectenkantoor in de City, maar de jonge man sloeg de invitatie af. De reden was, bekent hij, dat hij zijn imago van dandy bij zijn vrienden wilde versterken.

Maar dat was niet alles. Toen Worsthorne 's avonds naar zijn moeder en stiefvader Norman Montagu ging - die nota bene Gouverneur van de Bank van Engeland was - juichten die zijn beslissing van harte toe. Voor het eerst, schrijft Worsthorne, kreeg mijn stiefvader vertrouwen in mij en mijn toekomstplannen.

Is dit begrijpelijk voor een Nederlander? De verklaring is dat de Engelse upperclass maar enkele beroepen respectabel vond - en ten dele vindt: farmer (grootgrondbezitter), soldier (beroepsmilitair) en geestelijke. Artistieke beroepen, dat kon ook nog, maar echt werken voor geld werd niet sjiek geacht, men hàd geld. Montagu vond het dus een opluchting dat zijn stiefzoon geen yuppie-achtige playboy werd in de City, hijzelf vond ook geen bevrediging in het bankwezen. Een carrière in de industrie of een technisch beroep kwam helemaal niet in aanmerking, uiteraard.

Journalistiek kon weer wel, en dus werd het netwerk ingeschakeld. Kort daarop kreeg Worsthorne een baantje bij de Glasgow Herald, en dat viel niet mee. Hij dacht adjunct-hoofdredacteur te worden (deputy editor), maar het bleek sub-editor te zijn, bureauredacteur.

Twee jaar lang schonk hij thee in voor de oudere bureauredacteuren, en tussen de regels door kan men lezen hoe schokkend de kennismaking met de lagere klassen was. Maar er waren compensaties: de logeerpartijen, de feesten, de diners. Op een dag kreeg Worsthorne een uitnodiging om bij generaal Telfer-Smollett te komen eten in diens kasteel aan Loch Lomond. Er was maar één andere gast: veldmaarschalk graaf Wavell, de held van de woestijnoorlog. Worsthorne maakt er een hilarisch verhaal van en vertelt hoe hij de weg kwijtraakte in het enorme kasteel, dat geen elektriciteit had en dus met wat gaslampjes werd verlicht en hoe de veldmaarschalk het hele diner duister bleef zwijgen, geheel in stijl met de gothische sfeer in de enorme eetzaal.

Dit verhaal illustreert een ander verschil met Nederland. Wie in Groot-Brittannië in het goede netwerk zit, wordt als het ware van hand tot hand doorgegeven. Een lid van de Engelse upperclass vindt overal ter wereld wel een oud-tante, of een vriend van een oom, of een oude kennis uit Cambridge of de Household Cavalry.

Onderhoudend

Welke beginnende journalist die uit Rotterdam naar Zwolle of Deventer wordt gestuurd, mag daar met twee oude generaals in een donker kasteel dineren? Waar zijn vrienden te vinden die voor weken onderdak aanbieden - en dat gebeurt ook later wanneer Worsthorne getrouwd is. Natuurlijk maken de overvloed aan ruimte en de schaars overgebleven bedienden het leven gemakkelijker, maar het is ook een instelling. Want het komt niet helemaal aanwaaien: men moet actief zijn, de sociale contacten moeten gesmeerd worden en men dient geestig aan de dinertafel te zijn: One has to sing for one 's supper.

En dat doet Worsthorne. Hij is onderhoudend en bovendien heeft hij in de journalistiek een zekere zeldzaamheidswaarde, omdat hij op een intelligente, intellectuele manier conservatief is. Niet wòrdt, hij is conservatief geboren, lijkt het.

Hij heeft een weerzin tegen Labour die aan haat grenst, hetgeen niet verhindert dat hij hechte vriendschap sluit met socialistische collega's in Fleet Street. Maar Worsthorne gelooft oprecht dat alleen een elite het land goed kan besturen. Het hoeft niet noodzakelijkerwijs een conservatieve elite te zijn - hoewel die de voorkeur verdient - als het maar bekwame, hoog opgeleide mensen met gemeenschapszin zijn. Een socialistische dus planmatige samenleving heeft zo'n regering harder nodig dan een kapitalistische, want die is gebaseerd op eigenbelang.

En gemeenschapszin is nu net, citeert Worsthorne uit een ander boek van zijn hand, The Socialist Myth, wat Labour nét kan leveren. Want er zijn twee potentiële bronnen voor die gemeenschapszin: het volk, òf een klasse van sociaal voelende leiders die, net als de oude artistocratie, het respect van het volk heeft.

Labour kan geen beroep doen op de revolutionaire bezieling van de massa's - die zijn niet revolutionair genoeg, en ook niet op de patriottische instincten want daarop heeft Rechts het monopolie. Het volk levert dus niets.

De egalitaire ethos verbiedt de socialisten echter om gebruik te maken van de oude elite, of een nieuwe op te leiden. Cambridge en Oxford moeten immers afgebroken worden. De tussenweg, een meritocratie gebaseerd op intellect, werkt niet omdat intellectuelen in wezen kritisch zijn en geen band met het volk hebben.

Dat is de denktrant van Worsthorne. Al vroeg signaleert hij het verval. Als jong officier beschrijft hij in een brief naar huis hoe hard de geweldige overwinning van Labour aankwam in 1945. Een officier in de tent naast hem werd elke morgen gewekt door zijn oppasser. De bediende in uniform schonk heet scheerwater in een zilveren kom met monogram, waarnaast zilveren haarborstels lagen, uiteraard ook met monogrammen. Wat Hitler niet klaarspeelde, schreef Peregrine, is meneer Attlee en zijn socialistische cohorten wel gelukt: deze edelman kreeg vanmorgen geen zilveren kom meer, maar een groene canvas container.

The Times

Uiteraard was Worsthorne rabiaat anti-communistisch. Na Glasgow (twee jaar ervaring in de provinciale journalistiek is later een voorwaarde geworden voor een baan in Fleet Street) kwam hij bij The Times terecht, en zelfs dat blad bleek voor hem te progressief te zijn. Als correspondent in Washington ontwikkelde hij een grote sympathie voor McCarthy en diens jacht op de commies. Het wordt tijd, was zijn theorie, dat ook in Engeland het liberale establishment door elkaar wordt geschud, want dat heeft de rode spionnen veel te lang beschermd. Maar The Times plaatste de agressieve tirades niet.

De hoofdredacteur, Sir William Haley, vertelde hem vierkant dat de krant niet achter McCarthy zou gaan staan. The Times had zich éénmaal voor de hele wereld geblameerd door het fascisme van Hitler goed te praten, zei hij, en zou niet hetzelfde doen met het fascisme van MacCarthy.

Dat was een signaal voor Worsthorne om een wat vriendelijker habitat te zoeken, en dat lukte bij de zeer conservatieve Daily Telegraph.

Daar kon hij onbelemmerd en in agressieve stijl zijn denkbeelden kwijt: sympathie voor Ian Smith in Rhodesië en fel tegen kiesrecht voor zwarten; groot vriend van Nixon, overtuigd voorstander van de oorlog in Vietnam. De beloning kwam in de vorm van het hoofdredacteurschap van de Sunday Telegraph, maar dat werd geen succes. Worsthorne kreeg huwelijksmoeilijkheden, dronk veel en bleef toch een franc tireur: wel conservatief, niet conformistisch. Hij beging wat gaffes, voornamelijk uit behoefte om te amuseren, en werd keurig afgezet. Zo hard is de journalistiek in Engeland: hoofdredacteuren hebben geen cao en werken op contract. Maar Worsthorne kreeg wel omstreeks een miljoen pond mee. Zo is de journalistiek in Engeland ook.