Met spanningen houdt Zandstra zich niet bezig

Tijdens de wedstrijden om de wereldbeker in Berlijn ontpopte Falko Zandstra zich vorig weekeinde opnieuw meer als een allrounder dan als een afstandsspecialist. Toch worden de Fries genoeg kwaliteiten toegedicht om de Golden Boy te worden van de Winterspelen. Zandstra gaat door zijn nuchtere kijk op het leven niet gebukt onder het hoge verwachtingspatroon.

Hij was in het voorjaar maar net wereldkampioen of hij werd al geconfronteerd met de tol van de roem. Het begon aan het einde van het vorige seizoen aanvankelijk met fysieke problemen. Met keelpijn reisde hij van Davos naar Hamar waar hij in het Vikingschip, het hol van de leeuw, zijn eerste mondiale titel wegkaapte voor de neus van de plaatselijke favoriet Johann Olav Koss. Maar in de nacht van zaterdag op zondag tijdens het WK kon hij de slaap niet vatten. Hij voelde plotseling jeuk en kreeg bultjes op handen en voeten. Om half twee sprong hij getergd uit zijn bed. Gelukkig was teamarts Frank Nusse nog op. De vroegere hordenloper gaf hem een pilletje tegen huidirritatie. Met natte lappen op de ledematen viel hij nog een paar uurtjes in slaap.

De volgende dag moest hij zich met name op de tien kilometer forceren om de wereldtitel veilig te stellen. De medische staf kan nog steeds niet vaststellen wat de oorzaak is geweest van de huiduitslag. Falko denkt zelf aan verkeerd voedsel of een agressief wasmiddel, zeep, maar het kan in zijn ogen ook stress geweest zijn. Fysiotherapeut Jur Jonkhoff sluit dat laatste echter uit. “Want Falko zal de laatste zijn die daar last van heeft. Met spanningen voor de wedstrijd houdt hij zich niet bezig.”

De uitslag op handen en voeten verdween langzaam. “Drie weken erna kon ik plotseling hele lappen vel wegtrekken”, vertelt Zandstra nog vol afgrijzen. “Ik dacht: wat is dit allemaal? Ik kreeg een compleet nieuwe huid.” De jeuk maakte in die laatste fase van het vorige seizoen plaats voor chronische vermoeidheid. Hij sleepte zich voort van de Nederlandse kampioenschappen naar de finale om de wereldbeker. “De laatste weken had ik heel vaak pijn in mijn hoofd. Na een zware inspanning soms tot overgeven toe.”

Toen de schaatsen in het vet gingen, wilde hij zijn wereldtitel te gelde maken. Een opening hier, een informele bijeenkomst van een sponsor daar. Zijn zaakwaarnemer Hein Vergeer maakte gretig afspraken. Want, zoals Falko Zandstra dat uitdrukt, “je moet de vruchten plukken als ze rijp zijn”. In juni adviseerde een andere zakelijke begeleider, Ron Mulder, om het kalmer aan te doen. Dat was hard nodig. Pas in augustus begon hij zich weer lekker te voelen tijdens de trainingsarbeid.

Hij weet nu wat het betekent. Om vedette te zijn, om geleefd te worden door het publiek. “Want na het WK in Hamar heb ik het gevoel nog bekender te zijn geworden.” Hij zegt de spanningen die de komende maanden onherroepelijk volgen, het verwachtingspatroon dat wordt gecreëerd, de druk die toe zal nemen op zijn frêle schouders, gemakkelijk aan te kunnen. “Ik heb geen Ted Troost nodig. Ik kan mijn problemen goed kwijt bij mijn vriendin (Ellen Linnenbank die vorig seizoen deel uit maakte van Jong Oranje, red.). Of bij mijn masseuse Akke de Boer. Als ik bij haar eenmaal op de tafel lig, masseert ze eventuele spanningen ook weg.”

Hij vindt een uitlaatklep in zijn favoriete hobby: autorijden. “Ik hou van grote snelle wagens. Mijn topsnelheid ligt momenteel op 280 kilometer per uur. Gereden op een snelweg in Frankrijk. In Nederland kom ik nooit boven de 140 kilometer per uur. Dan is de bekeuring honderd gulden. Dat is nog te overzien. Ik ben trouwens pas een keer tegen zo'n boete opgelopen. Als ik hard rij, is het verantwoord. De weg moet vrij zijn. We hebben natuurlijk die Olympic cars van Audi. Met die firma hebben wij een goed contact. Je verschijnt nog weleens op feestjes van de importeur of een andere bijeenkomst. Als ik ga skiën krijg ik altijd een snellere auto mee. Ik heb een keer in een Porsche gereden, maar dat viel me tegen. Een Ferrari voelde wel lekker. Maar mijn favoriete auto is toch de Audi S4 met een 4.2 liter motor. Mooi, groot en snel. Op Zandvoort heb ik een keer een racecursus gevolgd in een BMW M3, ook geen slechte wagen.”

In de omgang met de media wordt hij geadviseerd door ex-wereldkampioen schaatsen Hein Vergeer. Kernploegcoach Ab Krook werpt zich regelmatig op als buffer tussen de pers en de media. “Falko is natuurlijk vrij om te doen en te laten wat hij wil”, zegt de Loosdrechter. “Maar hij kan moeilijk 'nee' zeggen. Als hij even thuis is, staat de telefoon niet stil.” En Falko zelf: “Ik vraag journalisten in principe afspraken te maken via Krook. Anders lijkt het net of ik alles afhoud. Die indruk wil ik niet wekken.”

Met de boulevardpers heeft hij intussen ook kennis gemaakt. “Journalisten die voor roddelbladen werken zullen van mij nooit een interview krijgen. Een keer moest ik in zo'n blad lezen dat ik Ellen Linnenbank van Rintje Ritsma zou hebben afgepakt: mijn verliefde blikken voor haar kon Rintje niet verdragen. Wat een onzin allemaal. Een ander blad ontdekte mij een keer als toeschouwer bij het NK wielrennen op de baan in Alkmaar. Toevallig woont Ellen daar in de buurt, dus we gingen even langs. We zaten volgens dat blad knus naast elkaar te kijken naar mijn nieuwe toekomst, het wielrennen.”

Met zijn successen groeide ook zijn persoonlijkheid. Krook heeft die ontwikkeling op de voet kunnen volgen. Als een bleue puber kwam Zandstra, afkomstig uit Jong Oranje, bij Krook in de kernploeg. Een ruwe diamant van enigszins eenvoudige komaf die wat onwennig omging met de sterk toenemende belangstelling. Krook: “Toch kon hij van nature relatief al redelijk goed op die nieuwe situatie inspelen. Ik noem dat sportintelligentie. Topschaatsers doen snel heel veel levenservaring op. Per seizoen zie je dat ze bijleren. Daarmee kunnen ze later hun voordeel doen als de maatschappij ingaan. Maar Falko heeft natuurlijk vanaf het begin zijn eigen karaktertrekjes gehad. Op een persconferentie tijdens de Winterspelen in Albertville werd hem de vraag gesteld wat hij vond van de concurrentie op de 1500 meter. Dat was de eerste keer dat hij ging nadenken over andere deelnemers. Falko gaat uit van zijn eigen kracht. Hij geeft alles en wat anderen daar tegenover stellen laat hem koud.”

Falko deelt meestal de kamer met Arjan Schreuder, een ploegmaatje dat hij al kent vanaf zijn juniorentijd. Het zijn twee tegenpolen, die het toch ook privé goed met elkaar kunnen vinden. Schreuder, een vedette in wording, probeert in de vrije uurtjes tijdens de lange trainingskampen zijn MEAO-studie af te ronden. Zandstra vermaakt zich op dat moment dan meestal met zaken als computerspelletjes. Dat Bart Veldkamp de afgelopen dagen in Berlijn nog even nakeek wat hij vorig jaar op deze baan heeft gereden, zou Zandstra nooit doen.

Schreuder: “Maar ik merk toch ook dat Falko aan persoonlijkheid heeft gewonnen sinds hij wereldkampioen is geworden. Hij staat nog steeds niet te lang stil bij bepaalde zaken. Als hij slecht rijdt, zal hij daar niet wakker van liggen. Hij vindt het niet erg om te verliezen. Tja, dat maak je toch niet te vaak mee op dit niveau.”

Hij baalt pas echt, als hij met de kernploeg een lange trainingstocht op de fiets moet maken. Dat is bijna net zo erg als afgaan op een schaatskampioenschap. Want dan bungelt hij aan de staart van de groep, bijtend op zijn tanden. Falko heeft niet alleen een hekel aan fietsen, hij kan het ook niet. Wellicht heeft dat te maken met zijn bouw, zijn spillebenen. De zomer kan zo een hel voor hem zijn. Dan hunkert hij naar het najaar, als het kwik daalt en de eerste schreden op het (kunst)ijs worden gezet. “Dat fietsen is eigenlijk het enige dat me tegenstaat aan het schaatsen”, biecht hij op. “Ik loop liever. Dan zweet je tenminste sneller. Skeeleren vind ik ook leuk. Maar fietsen, brrrrr.”

Van experimenteren, zoals Koss doet met een nieuwe schaats, moet hij tijdens het seizoen niets hebben. Aan zijn lijf dan geen polonaise. Momenteel ontwikkelt zijn schaatsleverancier Raps een nieuw, harder soort staal dat bevorderlijk moet zijn voor het glijvlak. Maar hij zal dat toch pas volgend seizoen gaan uittesten. “Trouwens, ik word helemaal niet gevraagd voor experimenten”, doet hij quasi zielig.

De komende maanden staan ook voor hem in het teken van de Olympische Spelen. Maar het is niet het enige doel dat hij voor ogen heeft. “Ik wil natuurlijk heel graag een gouden medaille winnen. Ik weet dat ik daartoe in staat ben, maar of het eruit komt moet je afwachten. Ik mik ook op de Europese en de wereldtitel. Dan is er altijd wel één evenement waarop je goed presteert.”

Het schaatsvak met al z'n voor- en nadelen, bevalt hem. Hij zou niets liever willen. Yvonne van Gennip kreeg problemen met haar motivatie toen ze drie gouden medailles had gewonnen. Haar gedachten dwaalden toen steeds meer af naar een maatschappelijke loopbaan. Dat zal Zandstra niet gauw overkomen, denkt hij. “Misschien is het voor mij zelfs financieel wel aantrekkelijker om te blijven schaatsen. Ritsma, Schreuder en ik hebben er vorige week een grote sponsor bijgekregen (Forbo, red.). Die krikt ons jaarinkomen behoorlijk op. Of ik weleens nadenk over het leven na het schaatsen? Nee, niet echt. Als ik goed blijf presteren, kan ik bij Trend Design, een andere sponsor, aan de slag als tapijtverkoper. Misschien is dat wat. Of autoverkoper. Maar dan moet het wel een goed merk zijn.”