Kunstenaars moeten overtuigen door hun waardevolle bijdragen

Op de vraag van minister d'Ancona om heldere denkbeelden uit de kunstwereld ter rechtvaardiging van overheidssubsidies, reageerden twee scribenten op de opiniepagina van deze krant: Frans de Ruiter (16 november) en Warna Oosterbaan (22 november).

Het debat gaat voort.

Volgens Warna Oosterbaan heeft minister d'Ancona onlangs 'een fundamentele ommezwaai in het kunstbeleid' aangekondigd: van nu af aan zou het niet aan haar, maar aan de kunstenaars zijn “om te vertellen waarom het goed is dat de overheid een deel van de belastingopbrengst aan kunst besteedt”. In dit verband had d'Ancona “met instemming de socioloog Blokland (geciteerd) die onlangs in Federatienieuws betoogde dat kunstenaars 'ten volle' verantwoordelijk zijn voor de rechtvaardiging van kunstsubsidies”. Oosterbaan zet zich hier tegen af en concludeert: “Vertellen waarom kunst moet is taak van de minister”.

De cultuurpolitieke berichtgeving bestaat in Nederland goeddeels uit contextloze 'nieuwsfeiten' en daarom zal het voor de gemiddelde lezer niet eenvoudig zijn te achterhalen wat precies de inzet is van het onderhavige, reeds jaren durende debat. Het kan ook niet mijn taak zijn om dit debat hier samen te vatten. Interessanter is het om in te gaan op de stelling die Oosterbaan uiteindelijk in zijn betoog betrekt: het is de taak van de minister om de publieke legitimiteit van kunstsubsidies overeind te houden.

Volgens Oosterbaan laten de burgers “in hun consumptiepatroon zien dat ze in meerderheid niet gesteld zijn op de kunst die van hun belastingcenten wordt gesubsidieerd. Als ze er wel op gesteld waren, zou die kunst immers niet gesubsidieerd hoeven te worden (hier wordt overigens voorbijgegaan aan de noodzaak om te interveniëren in de markt om collectieve goederen en reële individuele keuzevrijheid tot stand te brengen, HB). Ziedaar de paradox waarmee een minister van cultuur moet leven.” De belangrijkste manier waarop de minister deze paradox kan verzachten is volgens Oosterbaan door “voortdurend en bij velerlei gelegenheid reclame (te) maken voor kunst”. “In laatste instantie zijn het namelijk alleen politieke argumenten, waardeoordelen, overtuigingen die tegen de scepsis van de rekenaars in stelling kunnen worden gebracht. En in laatste instantie is het alleen een politicus die kan optornen tegen de individuele voorkeuren van de burgers.”

Ik ben het volledig met Oosterbaan eens wanneer hij wijst op de uiterst belangrijke rol van de politiek in de verdediging van de maatschappelijke positie van de kunsten (en van andere uitingen van beschaving). Ten onrechte geeft hij hierin echter de kunstenwereld geen enkele rol. Daarnaast suggereert hij ongegrond dat de kloof tussen kunst en samenleving per definitie onoverbrugbaar is en dat de kunsten door de politiek slechts tegen de samenleving beschermd kunnen worden. Dit is kortzichtig en voor de kunsten op de lange termijn uiterst gevaarlijk. Het legitimeert een reservaatkunst, een kunst die nog slechts met zichzelf in debat is en nog uitsluitend door een kleine groep van ingewijden begrepen kan worden, het wettigt de idee dat kunst een luxe is die verder niets te maken heeft met ons dagelijks, 'nuttige', functioneren, en het rechtvaardigt talentloze prutsers die zichzelf voor een onbegrepen Van Gogh houden.

Democratie houdt het midden tussen het lijdzaam volgen van de publieke opinie en het trachten deze opinie te sturen of zelfs te maken. Bestond de democratie slechts uit het eerste dan zou dit een door populisme en relativisme gedreven ontkenning betekenen van deskundigheid. Bestond zij slechts uit het tweede dan zou dit een door arrogantie en absolutisme gemotiveerde loochening inhouden van de gelijkwaardigheid van de burgers. Hiermee verbonden bestaat democratie niet alleen uit het nemen van beslissingen volgens het 'one man, one vote' beginsel, zij bestaat vooral uit de publieke discussie die aan het uiteindelijke besluit vooraf gaat. Daarom zijn de besluiten die genomen worden op het doorgaans ondoorzichtige en ongecontroleerde grensvlak tussen bureaucratie en belangengroepen, een grensvak waarop ook de Raad voor de Kunst zich bevindt, niet zonder meer democratisch.

De maatschappelijke legitimiteit van kunstsubsidies is uiteindelijk afhankelijk van de mate waarin de diverse kunstenaars en hun belangenverenigingen er in slagen om de burger ervan te overtuigen dat zij een waardevolle bijdrage aan de samenleving leveren. Waar deze bijdrage uit kan bestaan, gaf Frans de Ruiter in deze krant van 16 november summier weer in zijn reactie op d'Ancona. De Ruiter stelde, onder meer, dat de kunst gezien kan worden als “de brenger van reflectie, verdieping en troost”, en dat kunst een middel is “om je eigen waarde terug te vinden en een broodnodige dosis bevrijdende opwinding op te doen”. De juistheid van deze karakterisering moet uiteindelijk niet worden bewezen in de Tweede Kamer, zoals Oosterbaan stelt, maar in de theaters, de musea, de concertzalen. De politicus kan weliswaar keer op keer de burger op het hart drukken dat de kunstenaar om bovengenoemde redenen niet in onze samenleving gemist kan worden, maar wanneer de burger zich hier op de lange termijn met geen mogelijkheid in zou kunnen verplaatsen, dan raakt de politicus op een gegeven moment aan het einde van zijn Latijn. Wanneer een groot deel van de (geïnteresseerde) burgers op een gegeven moment geen “reflectie, verdieping en troost” van bepaalde kunstuitingen meent te ontvangen, dan neemt de publieke legitimiteit van de betreffende subsidies af. Een politicus behoort dan na verloop van tijd zijn verantwoordelijkheid te nemen. Hij vertegenwoordigt de burgers en niet een of andere beroepsgroep. Staatssecretaris Simons is ook niet de belangenvertegenwoordiger van de medisch specialisten. Uiteindelijk leggen de kunstenaars dus de voedingsbodem voor de legitimiteit van kunstsubsidies en in laatste instantie dragen zij derhalve de volle verantwoordelijkheid voor deze legitimiteit.

Dit alles wil niet zeggen dat een ieder of een meerderheid van de burgers zich persoonlijk aangesproken moet voelen door alle individuele, gesubsidieerde kunstuitingen. Dit zou leiden tot vervlakking en uniformering. De discussie moet op een hoger niveau gevoerd worden: welke argumenten zijn er aan te geven om gedurende korte of lange tijd kunstenaars, die hun werk op de markt onvoldoende te gelde kunnen maken, die dus te weinig 'populair' zijn, tóch het werken mogelijk te maken. De argumenten hiervoor - en er zijn er meer dan voldoende - dienen in het publieke debat naar voren te worden gebracht en er is geen enkele reden waarom vertegenwoordigers uit de kunstenwereld hierin geen rol zouden kunnen spelen. Als het goed is, weten zij immers waar zij over praten. Zo werkt dat in een democratie.