In het kunstbeleid ontkom je niet aan kunstenaarsbeleid

Minister d'Ancona van WVC heeft gevraagd om argumenten waarom de overheid een kunstbeleid zou moeten voeren. Op de reacties van De Ruiter en Oosterbaan (16 en 22 november) wil ik niets afdingen. Het is juist erop te wijzen dat kunst een belangrijk maatschappelijk fenomeen is en (meer) steun van overheidszijde verdient (De Ruiter); eveneens is het juist te stellen dat kunstminister d'Ancona de eerst aangewezene is om kunstuitgaven van de overheid te rechtvaardigen (Oosterbaan).

De vraag van de minister is op zichzelf niet onbegrijpelijk. Er bestaan allerlei min of meer redelijke argumenten die pleiten tegen een grote invloed van de overheid op de kunstensector in Nederland. Het zou naïef zijn als we ons in een kunstpolitiek debat afsluiten van dergelijke argumenten; het zou de vervreemding tussen de wereld van de kunst en de samenleving als geheel bevestigen en versterken.

Ik zou één argument tegen kunstbeleid nader willen te analyseren en op zijn politieke consequenties toetsen. Dit is de verdenking die men kan koesteren dat kunstbeleid in belangrijke mate om kunstenaarsbeleid gaat. Onder kunstenaarsbeleid zij in dit verband verstaan de bijdragen van de overheid in de beroepsmogelijkheden en kosten van beroepsmatig werkende kunstenaars. Een dergelijk kunstenaarsbeleid staan de minister en haar ministerie niet voor, behalve wanneer het gaat om kunstenaars die (te zijner tijd) aan een publieksvraag naar kunstprodukten en -voorstellingen kunnen voldoen; of wanneer deze produkten en voorstellingen van belang geacht kunnen worden te zijn voor wat kunstkenners van belang achten. Een dergelijk kunstenaarsbeleid ligt nogal gevoelig in de publieke opinie omdat nut en noodzaak niet aantoonbaar zijn en het privileges lijkt te geven aan een bij voorbaat reeds bevoorrechte beroepsgroep.

Kunstenaarsbeleid komt echter niet uit de lucht vallen. Betrokkenen roepen sinds jaar en dag dat het nodig is, of zelfs onvermijdelijk gegeven de bijzondere aard van hun werk en de niet-functionerende kunstmarkt. Kunstenaarsbeleid heeft in Nederland een (beladen) traditie van BKR, kunstenaars in de bijstand, enzovoorts. Een groot en niet te veronachtzamen probleem is, dat te velen zich geroepen voelen om hun in hun jeugd of later blijkende interesse en talent in een beroepsmatige uitoefening van de kunst om te zetten, daarbij gesteund en gestimuleerd door familie, kunstpedagogen, kunstacademies, kunstinstellingen en een sociaal klimaat waarin ook niet-gevraagde beroepen op de arbeidsmarkt uitgeoefend kunnen worden.

De rekening voor de daaraan verbonden kosten voor beroepsuitoefening en levensonderhoud schuiven de betrokkenen, als dat lukt, door naar een andere instantie: van kinderen naar hun familie, van de familie naar onderwijs en studiefinanciering, van onderwijs naar kunstinstellingen en de sociale dienst, van de kunstinstellingen en de sociale dienst naar de kunstbudgetten van WVC en, tot op zekere hoogte, die van gemeenten en provincies. Onder het motto dat de 'veroorzaker' op zou behoren te draaien voor de kosten zou de minister van WVC kunnen weigeren om doorgeschoven rekeningen te betalen of zij zou zich daarbij minimaal ongemakkelijk kunnen voelen; zij zou belemmerd kunnen worden in de politieke verantwoording van haar beleid tegenover de Kamer en de kiezers.

Een reactie als deze werkt niet, de rekeningen zullen blijven komen, het debat zal niet verstommen en onder politieke druk zal de kunstminister steeds weer zich gedwongen zien in het beleid ruimte te maken voor wat meer of wat minder kunstenaarsbeleid. Het is beter mechanismen als dit doorschuifsysteem te onderkennen en aan te geven onder welke condities kunstenaarsbeleid onderdeel is of kan zijn van kunstbeleid. Deze condities kunnen te maken hebben met het beperken van de doorgeschoven 'schade', het functioneren van de kunstmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van (aspirant)kunstenaars, van hun familie en pedagogen, van het kunstonderwijs en de kunstinstellingen, de sociale diensten, enzovoorts.

Het voert te ver op deze plaats concrete voorstellen uit te werken, zoals het ook te ver zou voeren om alle argumenten voor en tegen kunst- en kunstenaarsbeleid te bespreken. Een goede openbare gelegenheid daartoe biedt zich aan op een symposium op 22 december aanstaande wanneer nationale en internationale rapporten over het Nederlandse kunstbeleid aan de Raad van Europa worden aangeboden.