Hoofdredacteur met knoet

Krantebeest. J.M. Lücker, triomf en tragiek van een courantier DOOR MARTIN SOMMER 239 blz., geïll., Balans 1993, ƒ 35,--

Joop Lücker, geboren in 1914, was de zoon van een Nijmeegse kunstschilder. Zijn hele verdere leven, dat een paar weken na zijn pensionering in 1980 eindigde, zou Joop schilderijen van zijn vader in zijn omgeving hebben hangen. Dit gegeven is een van de weinige verwijzingen in de nu verschenen biografie naar de privé-persoon Joop Lücker. We zullen verder alleen nog aan de weet komen dat hij trouwde met Greet, dochter van ook een kunstschilder, Mathieu Wiegman, dat ze samen een dochter kregen, Tia, en dat er sinds de jaren zestig geruchten gingen over zijn Weibergeschichten. Meer niet. Na Borries biografie van Monne de Miranda en Bloemgartens studie van Henri Polak is dit nu al de derde Nederlandse levensbeschrijving uit het afgelopen halfjaar waarin de hoofdpersoon na kantoortijd niet bestaat. Gaan we zo door?

Martin Sommer meldt tenminste nog dat Lücker 's nachts weleens op de Kring verscheen, waar de bohème hem met de daar gebruikelijke fijnzinnigheid begroette: 'Hé, roomse klootzak met je roomse rotkrant!' Die roomse krant was de Volkskrant, en Jacobus Maria (of is het Jozef Maria?; Sommer legt niet uit waar de voorletters voor staan) Lücker was daarvan bijna twintig jaar de hoofdredacteur.

Kunst was voor Lücker, ondanks de grote plaats die hij ervoor had ingeruimd, de uitdrukking van een levensstijl, niet de richting waarin zijn ambities hem wezen. Al vroeg was Lücker volgens zijn biograaf bezeten van journalistiek, en dan vooral van het jagen op nieuws. In de jaren twintig en dertig mocht deze belangstelling excentriek worden genoemd. De Nederlandse kranten grossierden in hoofdartikelen, overzichten, bespiegelingen en verzuchtingen. De weinige feiten die de kolommen haalden, waren gewoonlijk verpakt in omslachtig gezwam.

Om zijn obsessie uit te leven, ging Lücker journalistieke scholing buiten Nederland opdoen, en wel aan de University of London voor de theorie en bij The Times en de News Chronicle voor de praktijk. Van oudsher kent Engeland een veel ambachtelijker benadering van het kranten maken dan Nederland, waar het 'vak' nog heel lang diende als vergaarbak van ongelukkigen die in andere beroepen hadden gefaald.

Na zijn terugkeer in Nederland lag het in de rede dat Lücker ging werken bij de enige èchte krant van Nederland, De Telegraaf. Dat was geen prekend orgaan van een godsdienstige stroming of een spreekbuis van een politieke partij. Bij De Telegraaf stond het jagen op nieuws, bij voorkeur op 'primeurs', voorop, net als de aantrekkelijke presentatie van het resultaat. In die heidense, opwindende wereld van De Telegraaf had Lücker het uitstekend naar zijn zin, zo goed dat hij er tot oktober 1944 is blijven werken. Het heeft hem later dwarsgezeten dat hij op dat 'te lange' doorwerken bij een 'foute' krant is aangekeken, maar hij had er wel zijn benoeming tot hoofdredacteur van de Volkskrant aan te danken. Op weg naar zijn werk fietste hij in de herfst van 1944 toevallig door het blikveld van enkele heren, onder wie de toekomstige fractievoorzitter van de KVP in de Tweede Kamer, Carl Romme, die net in een pand aan de overkant van het Telegraaf-gebouw voor het raam stonden te beraadslagen over de heroprichting van de sinds 1941 opgeheven Volkskrant. Ze hadden er nog geen hoofdredacteur voor. Kijk, daar heb je Joop Lücker. Waarom nemen jullie die niet?' zei een van de aanwezigen. Zo gebeurde het.

IJzeren hand

Van de vooroorlogse Volkskrant, het orgaan van het RK Werkliedenverbond, wist Lücker niets af. Wie geen banden met de katholieke vakbeweging had, las dat armetierige krantje domweg niet. Dat moest na de oorlog anders worden. 'Katholiek Dagblad voor Nederland', was de onderkop èn het credo van de herboren krant. Een ochtendblad voor het hele volk, maar geredigeerd vanuit de katholieke beginselen. Lücker moest de eerste doelstelling zien waar te maken, Romme, als beoogd 'staatkundig hoofdredacteur', de tweede.

Dinsdagochtend 8 mei 1945 verscheen het eerste nummer, geredigeerd, gezet en gedrukt bij het - wegens 'te lang' doorverschijnen - verboden Algemeen Handelsblad. Spoedig daarna verhuisde de krant naar een ruimere behuizing in gebouw Concordia aan de Nieuwezijds Voorburgwal, naast de eveneens verboden Telegraaf. Daarmee begon de belangrijkste periode in Lückers bestaan, de negentien jaar waarin hij het dagblad met ijzeren hand bestuurde. Het was de era waarin hij de Volkskrant opwerkte van quantité negligeable tot - tot wat eigenlijk?

Sommer is daarover tamelijk vaag; het lijkt of hij stilzwijgend een pact met zijn lezers heeft gesloten dat deze uitleg overbodig is. Mogelijk gaan de lezers, de saga's over Lückers dictatorgedrag combinerend met de wetenschap dat de huidige Volkskrant is uitgegroeid tot een kwaliteitsdagblad, uit van de veronderstelling dat Lücker de grondslag voor het huidige succes van de Volkskrant heeft gelegd. Deze gevolgtrekking is hoogst betwistbaar. Sommer poneert haar ook niet, maar het tegendeel evenmin. Hij laat eigenlijk in het midden wat nu de verdienste van Joop Lücker voor de Volkskrant is geweest. Historische mythes worden niet door hem tegen het licht gehouden.

Wel zegt Sommer dat Lückers voornaamste bijdrage aan de vernieuwde Volkskrant is geweest dat hij er een 'krant voor het hele gezin' van heeft gemaakt. Een krant met strips en een vrouwenpagina en columnisten en 'grollen van Bomans'. Maar zo zag elke grote krant die meteen na de oorlog weer mocht verschijnen, eruit. Of het nu Het Vrije Volk, Trouw, Het Parool, De Waarheid of de Volkskrant was, allemaal maakten ze 'een brede krant' 'voor het hele gezin', respectievelijk 'voor de professor en voor de vrouw achter de wastobbe', zoals de slogan bij Het Vrije Volk en Het Parool luidde. Ze namen een landbouwredacteur in dienst, maar ook een medewerker voor kruiswoordpuzzels. Het illegale blad Het Parool huurde ruim voor de bevrijding al een redactrice in die voor het toekomstige dagblad de kinderrubriek zou 'doen'. In deze zin zie ik bij Lücker geen bijzondere inventiviteit.

Eén factor moet in elk geval worden benadrukt, al doet Sommer dat niet: Lücker had het tij mee op een manier zoals maar heel weinig hoofdredacteuren steun van hogere machten hebben gehad. Op grond van het Tijdelijk Persbesluit van de Nederlandse regering in 1944 mochten er na de bevrijding geen dagbladen meer verschijnen, met uitzondering van de voormalige illegale pers en van kranten die hun verschijning uiterlijk begin 1943 hadden gestaakt. Bij die laatste, heel kleine categorie hoorde de vooroorlogse Volkskrant. Daarom kon in mei 1945 de Volkskrant herverschijnen op een markt waar de concurrentie gering was en de leeshonger enorm.

Heerszucht

De oplaag van de Volkrant steeg al snel naar de 125.000 exemplaren per dag. Vervolgens had de krant evenwel achttien jaar nodig om op 160.000 te komen, en ten tijde van Lückers gedwongen vertrek in 1964 was de groei gestagneerd. Intussen was de redactie volkomen gedemoraliseerd geraakt door Lückers ongebreidelde heerszucht. Ook volgens Sommer werd de Volkskrant in de jaren vijftig en de vroege jaren zestig door niemand gelezen die 'ertoe deed', zelfs niet binnen het katholieke establishment. Lücker 'moet op recepties en partij-bijeenkomsten vaak aanhoren: 'U schijnt een goede krant te maken, maar wij lezen helaas De Tijd'.' Buiten KVP-kringen had het katholieke dagblad voor heel Nederland geen gezag. Parlementair redacteur en politiek columnist Henri Faas mag later terecht zijn bejubeld om zijn onafhankelijke, kritische geest, in Lückers tijd had de parlementaire redactie van de Volkskrant inclusief Faas weinig bijzonders te melden.

Trouwens, gegeven de nadruk die Sommer legt op Lückers gretigheid naar nieuws, is er in de biografie niets terug te vinden dat wijst op een substantiële neerslag van deze eigenschap in de Volkskrant. Eigenlijk komt Sommer alleen met voorbeelden van jammerlijk falen aanzetten: verslaggever Henk Uilenbroek, die maanden vergeefs onderzoek doet naar het onopgeloste raadsel van de verdrinking van de Duitser Friedrich Schallenberg in een Haagse vijver waarin maar dertig centimeter water staat; verslaggeefster Marijke Vetter, die haar reportages over vakanties van de Oranjes van Lücker moet staken nadat het het hof ter ore is gekomen dat ze een buitenechtelijke vriendin van prins Bernhard had gezien - en er uiteraard niet over had geschreven. Sommer beschrijft hoe de Volkskrant in de Greet Hofmanskwestie volledig verstek heeft laten gaan. Wat blijft er dan eigenlijk als Lückers verdienste over? Dat hij enkele spraakmakende medewerkers als de tekenaar Rob Wout (Opland) en humorist Godfried Bomans naar de krant heeft gehaald? Iedere hoofdredacteur lukt dat weleens. Mogelijk doe ik Lücker hier onrecht, maar dan gebeurt het in commissie met Sommer, die de wisselwerking tussen de hoofdredacteur en zijn krant, en respectievelijk de rest van de pers naar mijn smaak onvoldoende heeft uitgediept.

Tegen de tijd dat Joop Lücker vertrok, begon de Volkskrant financieel af te glijden. Lücker placht weliswaar in kleine kring zijn directie en de aandeelhouders - nog altijd de katholieke vakbeweging - te betitelen als 'die patatboeren', ook een redactie en een hoofdredactie hebben invloed op de commerciële resultaten. Het is heel moeilijk zich voor te stellen hoe een redactie topprestaties kan leveren, terwijl ze zucht onder de knoet van de sadistische, volstrekt onvoorspelbare despoot zoals Lücker uit deze biografie oprijst. Hij koeioneerde en vernederde zijn mensen totdat ze soms in tranen uit zijn kamer vluchtten. Lücker kwam dikwijls 's avonds laat op de redactie als de krant bijna persklaar was en begon naar eigen goeddunken de inhoud om te gooien. Uit niets blijkt dat hij het produkt daarmee verbeterde. Kortom, als de krant niet in 1968 in feite was overgenomen door Het Parool, dat er fors in investeerde, zou de Volkskrant niet de tijd zijn gegund zichzelf fundamenteel te veranderen. Dan zou ze eind jaren zestig zijn bijgezet in het familiegraf van de verzuilde pers. Een graf waarin toen al het christelijk-historische orgaan De Nederlander rustte, later aangevuld met Het Vrije Volk (als landelijk PvdA-dagblad), De Tijd en De Waarheid.

Lücker was geen voorbode van een nieuwe tijd. Hij was een exponent van een tijdperk dat had afgedaan. Onder zijn leiding verkocht de Volkskrant haar ziel aan de KVP hoewel die partij formeel niets over het blad te zeggen had. Deze houding verdroot de echte eigenaren zeer, en Lückers veronachtzaming van de belangen van de vakbeweging kostte hem tenslotte zijn baan.

Merkwaardig genoeg liet Lücker zelf zich aan het katholicisme weinig gelegen liggen. Hij kwam steeds minder in de kerk, en hij presenteerde zich graag als de superieure, kunstminnende kosmopoliet, die ver boven die provinciale confessionelen was verheven. Zijn periode bij De Telegraaf had aangetoond hoezeer hij zich buiten het roomse milieu thuisvoelde. 'Maar over het leergezag van de kerk kan ook voor Lücker geen meningsverschil bestaan,' schrijft Sommer.

Hier wordt een intrigerende paradox zichtbaar, die Lückers functioneren als hoofdredacteur in grote mate heeft bepaald. Was het snobisme? Trok Lücker, als hij toch was gedwongen te kiezen tussen een roomse partij en een roomse vakbeweging, naar de KVP omdat hij het deftiger vond zich de evenknie van Romme te wanen dan van 'die patatboeren'? Of stopte Lücker zijn loyaliteit aan de KVP bij wijze van vette kluif in de bek van waakhond Romme als hij verder maar ongestoord krantje mocht spelen? Sommer oppert zelfs geen hypothese. Door dit soort oppervlakkigheid heeft Krantebeest - een juiste typering van de hoofdpersoon - ondanks de goed leesbare stijl en de vele treffende anekdotes toch iets onbevredigends. De gemiste kansen doemen daarvoor te nadrukkelijk op.

Lücker zou na zijn échèc bij de Volkrant nog zestien jaar als een ridder van de droevige figuur over de Nieuwezijds spoken, maar terecht besteedt Sommer daar slechts één hoofdstuk aan. Eerst probeerde hij het nog een paar jaar als hoofdredacteur van aartsrivaal De Tijd, en, nadat hij daar was mislukt, als directeur van een bureautje dat stripverhalen aan bladen verkocht. Hij deed ook zaken met zijn opvolger bij de Volkskrant, maar altijd op neutraal terrein, in een café-restaurant. Lücker was er nog als hoofdredacteur bij toen de eerste paal voor de nieuwe behuizing van de krant, aan de Wibautstraat, werd geheid, maar het nieuwe gebouw heeft hij nooit willen betreden. Heel symbolisch, bijna kunst.