Hoe meer immigranten aan het werk, des te minder vol het land

“Hoe vol is Nederland?” Een econoom zal op deze vraag antwoorden dat dit afhankelijk is van prijzen en lonen op verschillende markten, en van arbeids- en kapitaalsproduktiviteit. In de negentiende eeuw was Zweden vol met minder dan 5 miljoen bewoners op zijn grote oppervlakte. Er was toen niet genoeg land dat geschikt was voor de landbouw en een groeiend deel van de bevolking kon zijn brood niet meer verdienen. De oplossing werd gezocht in industrialisatie, urbanisatie en zeker ook in emigratie. Zo emigreerden een miljoen Zweden in de periode 1870 tot 1914 naar de Verenigde Staten. Een recent verschenen publikatie van het 'Zweedse Instituut' laat een plattegrond van Zweden zien met wezenlijk lege gebieden die een groot gedeelte van de oppervlakte van het land vormen. Is Zweden dus minder vol dan Nederland?

Nederland is afwisselend vol geweest en niet. Nederlanders hebben hun land verlaten om naar Canada en andere landen te vertrekken. In de jaren vijftig van deze eeuw voerde de Nederlandse regering een actief emigratiebeleid om de bevolkingsdruk te verminderen. Daarna kwam een periode waarin, net als in Zweden, Duitsland en andere Westeuropese industrielanden, arbeidskracht werd 'geïmporteerd' om de vacatures op de arbeidsmarkt te vervullen. Toen was Nederland niet vol.

Een belangrijk deel van het antwoord op de vraag 'Hoe vol is Nederland?' is gelegen in de kans dat Nederland nieuwe immigranten kan inschakelen in produktieve arbeid. Dat hangt af van de organisatie en het functioneren van de arbeidsmarkt. De effecten van nieuwe immigranten op de arbeidsmarkt voor de inheemse bevolking zijn uitvoerig bediscussieerd, vooral door Amerikaanse economen. Zij onderscheiden daarbij twee hypothesen: de segregatiehypothese en de vervangingshypothese.

Volgens de segregatiehypothese komen nieuwe immigranten terecht in banen die anders helemaal niet zouden bestaan. Als dat het geval zou zijn, is immigratie zeker een winstpunt voor de welvaart van de maatschappij. In Nederland is dit waar te nemen bij de bollenteelt. Een ander voorbeeld van de segregatiehypothese is de meloen- en aardbeienteelt in Californië. Vroeger konden Mexicaanse arbeiders daar zonder speciale toestemming op tijdelijke basis werken in de meloenen- en aardbeienoogsten. Dit werd eind jaren zestig verboden. De verliezers waren de Amerikaanse consumenten, aangezien de prijzen van zowel aardbeien als meloenen stegen, terwijl de geproduceerde kwantiteiten fors omlaag gingen. De enige overwinnaars waren de inheemse landarbeiders, want hun lonen stegen.

Volgens de vervangingshypothese zullen nieuwe immigranten de banen wegnemen van de inheemse arbeiders. Doordat de immigranten lagere lonen accepteren worden de inheemse arbeiders werkloos. De werkgevers daarentegen zullen erop vooruit gaan. Daarbij gaat het niet alleen om de eigenaren van machines, fabrieken, grondgebieden en andere vormen van tastbaar kapitaal, maar ook om eigenaren van menselijk kapitaal. Met menselijk kapitaal worden de opleiding en werkervaring bedoeld die een persoon in staat stellen bepaalde arbeid te verrichten. Onderzoek toont aan dat hoog gewaardeerd menselijk kapitaal in het produktieproces en kapitaalgoederen elkaar aanvullen, terwijl laag gewaardeerd menselijk kapitaal en kapitaalgoederen elkaars vervangers zijn. Nieuwe immigranten in Nederland zouden in dat geval een bedreiging vormen voor de banen van laag opgeleide inheemse werknemers, terwijl de hoog opgeleide werknemers net als de werkgevers er profijt van zouden hebben.

Maar zelfs als Nederland geen enkele laag opgeleide immigrant zou toelaten, ontstaan er problemen voor de categorie laag opgeleiden. De reden is dat produktie waarin arbeid van laaggeschoolden wordt gebruikt, niet meer betaalbaar is in Nederland en wordt verplaatst naar gebieden als Zuidoost-Azië waar de arbeidslonen per produkt aanzienlijk lager zijn dan in Nederland. De conclusie is dat Nederland zijn welvaart behoudt, niét door immigratie te verbieden, maar door voortdurend te blijven investeren in menselijk en tastbaar kapitaal en door dat kapitaal produktief te blijven gebruiken. Een andere conclusie is, dat iedereen bereid moet zijn om gedurende zijn of haar loopbaan meerdere keren van baan en beroep te wisselen. Verder is het belangrijk dat Nederlanders blijven produceren in plaats van in de VUT of WAO te gaan, of kortere werkweken te maken.

Dezelfde redenering als voor Nederland geldt ook voor Zweden. Het antwoord op de eerder opgeworpen vraag of Zweden minder vol is dan Nederland, is daarom niet zonder meer ja. Het antwoord is afhankelijk van de vraag welk land de meeste flexibiliteit toont op verschillende markten (arbeidsmarkt, woningmarkt, enz.) en welke van belang zijn voor het wel of niet met succes ontvangen van nieuwe immigranten. Zweden heeft weliswaar lege gebieden, maar immigranten hebben huizen, scholen en banen nodig en geen lege gebieden. Het is daarom niet zonder meer te verwachten dat 8 miljoen Zweden makkelijker dan 15 miljoen Nederlanders 60.000 nieuwe immigranten per jaar kunnen opvangen.

Immigratie betekent niet alleen méér werkzoekenden op de arbeidsmarkt, maar ook méér consumenten. Als er meer consumenten bij komen, stijgt de vraag naar produkten, wat in een grotere vraag naar arbeid kan resulteren. Als de verhoging van vraag naar arbeid als gevolg van nieuwe immigranten groter zou zijn dan het gestegen arbeidsaanbod, zouden er alleen maar positieve resultaten als gevolg van immigratie zijn.

Tegenwoordig is de werkloosheid hoog in Nederland evenals in Zweden en andere Westeuropese landen. Is misschien te verwachten dat nieuwe immigranten geen produktief werk zullen vinden, maar in plaats daarvan rechtstreeks in de bijstand komen? Nieuwe immigranten spreken meestal geen Nederlands, zijn voor een heel andere maatschappij opgeleid en hebben weinig kennis van het functioneren van Nederland.

Er is echter ook sprake van een gewenningsperiode, een leerproces voor nieuwe immigranten, die na afloop hiervan een hogere bijdrage aan de Nederlandse samenleving kunnen leveren. Immigranten die de taal beheersen hebben veel meer succes op de arbeidsmarkt dan immigranten die dat niet doen. In de Verenigde Staten werden in de jaren twintig alleen mensen toegelaten die gezond en alfabeet waren. Dat soort maatregelen vinden wij tegenwoordig ethisch niet verdedigbaar. Maar bij ons worden vandaag de dag weinig immigranten met economische motieven geaccepteerd en krijgen voornamelijk politieke vluchtelingen toegang. Toch zouden immigranten met economische motieven misschien een grotere bijdrage aan de economie kunnen leveren.