Het bekertje

Andersmans ellende kan voor de kunstenaar een onschatbare bron van inspiratie zijn. Als het indertijd in Denemarken en Engeland omstreeks Kerstmis niet op de hongerige daklozen had gesneeuwd, zouden we niet weten wie Het meisje met de zwavelstokjes was en hadden we geen Christmas Carol. Het is een artistieke vorm van recycling - maar, zal men zeggen, is dat niet een defintie van alle kunst?

Misschien; maar deze eerste alinea is een omzichtige manier om weer over de daklozen in New York te beginnen. Waarom over die daar? Hebben we er in Amsterdam al niet genoeg; pittoreske vuilnisbakkeneters die het in een Olympische wedstrijd tegen de besten van Parijs en Moskou kunnen opnemen? Ik onderschat mijn stadgenoten niet, maar ik wil mijn stukje wijden aan de creativiteit die ze activeren; de daklozen in het algemeen.

Een beroemde hit van Frank Sinatra heet New York, New York. Het is een montere tekst die nadrukkelijk monter wordt gezongen, Lebensbejahend op het agressieve af. De regel die de sleutel tot het geheel van de tekst is, luidt: If you can make it there you'll make it anywhere.

Ten behoeve van de actie die dit jaar voor de stille armen in de parken, op de stoepen en in de stations en de rijtuigen van de ondergrondse op touw is gezet, heeft het liefdadigheidscomité, de Coalition for the Homeless, nu een reclamebureau in de arm genomen. Dit is op een schitterend idee gekomen, een vondst die in zijn soort op hetzelfde niveau staat als de verhalen van Andersen en Dickens. Het bureau heeft het lied van Sinatra door een aantal daklozen laten zingen; niet een koor, wat ook had gekund, maar voor iedere regel telkens een nieuwe solist die het a capella doet, liggend, zittend of staand in de omgeving van zijn dagelijks bestaan. Daaruit is een commercial gemonteerd, als je het zo kunt noemen, een televisiespot. Iedere uit lompen, vodden, vouwen en rimpels opgebouwde dakloze levert met haar of zijn dunne stem een bijdrage. De beste vind ik degene die de sleutel van de boodschap voor zijn rekening neemt, een man van een jaar of zestig, op de stoep zittend naast zijn met allerhande onbeschrijfelijks opgetaste karretje uit de supermarkt. 'If you can make it there...''

Op zo'n manier wordt het je goed ingepeperd. Of te goed? Dat vroeg ik me af. Overwoekert de kracht van de vondst niet de behoeften van degenen die er baat bij moeten vinden? Daar zat ik te genieten van die zeldzame tegenstelling tussen woord en beeld die het geheim is van het bitterste sarcasme. Ik dacht aan een spotprent, door Du Perron beschreven. Italië is Abessinië binnengevallen, Mussolini, geboycot door de beschaafde naties, heeft behoefte aan meer kruit en lood. De schaarse metalen worden ingezameld. Een jongetje kan geen afstand doen van zijn loden soldaatjes. 'Geef het nou maar'', zegt zijn moeder. 'Het is voor de Abessijnse kindertjes.''

Rustig voor de televisie in je kunstzin geprikkeld worden heeft iets ontwijkends, op zijn minst. In de krant stond dat een groep daklozen, van de ene plaats verdreven, ergens anders zijn kampement had opgericht, onder een stukje viaduct van de F.D.R. Drive, tussen de 38ste en de 40ste straat. Daar woonden ze nu in hun kartonnen huizen, blootgesteld aan de ijzige wind die over de East River blies. Op die plek zou ik, bij wijze van compensatie voor een ontwakend schuldgevoel, zelf maar eens gaan kijken.

Het was zoals de krant had geschreven. In zo'n verzameling schuilplaatsen zit geen enkel patroon, de bouwelementen zijn tegen elkaar gezet en opgestapeld ongeveer in de volgorde waarin ze werden bemachtigd; het heeft de chaos van de onverschilligheid. Een paar blokken naar het zuiden is de Water Club en dan nog even verder het vliegveldje voor de helikopters die je naar Kennedy Airport brengen als je er het geld voor over hebt. Op vijf minuten lopen staat het gebouw van de Verenigde Naties en aan de Eerste Avenue een paar woontorens met verschrikkelijk dure apartementen. Maar het zien van veel tegenstellingen vergroot de weerbaarheid, doordat je afstompt. Een ander woord voor afstomping is realisme.

Het ene kampement van daklozen lijkt precies op het andere. Ik liep terug naar de beter bewoonde wereld, terwijl ik me probeerde in te denken hoe ik me zou voelen als ik zelf dakloos was, niet voor één nacht, maar zonder uitzicht op iets anders dan de straat en de bescherming van karton. Altijd de kou. Het is geen wonder dat ze zoveel textiel meeslepen. En geen kraan. De hel heeft geen waterleiding. Bij iedere stap groeide m'n zelfmedelijden.

Het gereedschap van de daklozen voor hun broodwinning is een kartonnen bekertje. Dat houden ze gestrekt voor zich, af en toe rammelend met de muntjes die de voorgaande liefdadigen erin hebben gegooid. In de verte, op een gure straathoek, zag ik mijn klant staan, een man nog in de kracht van zijn leven, waarschijnlijk werkloos geworden, aan de drank of de drugs geraakt, geen energie meer om iemand te beroven, kortom iemand die de moed voorgoed had verloren. Dichterbij gekomen vermoedde ik dat het ongeluk hem nog niet zo lang geleden was overkomen. Iets in zijn kleding, zijn houding, deed herinneren aan een ordelijk bestaan.

Dat maakte het nog schrijnender. Iemand die jaren dakloos is draagt het stempel daarvan in en over zijn hele wezen; die is verloren, hoort tot een andere mensheid waarmee je wel medelijden moet hebben maar die niet meer aan je eigen mensheid verwant is. Deze man was nog bereikbaar. In plaats van liefdadigheid begon er iets van solidariteit in me te tintelen. In de punt van m'n broekzak zat nog heel wat klein geld. Zonder het te tellen nam ik het in mijn vuist. Ik naderde, zag alleen nog het bekertje waar ik dat fortuin in zou storten. Resoluut opende ik mijn vuist, en liet ze vallen, de dubbeltjes en de kwartjes.

In een beker vol koffie.

'Huh!'' zei de man. Hij keek alsof de aarde zich voor hem had geopend, er een dier uit Jurassic Park voor hem was verschenen, hij keek zoals een mens alleen kan kijken als hem iets zo onverwachts is overkomen dat het buiten ieder bevattingsvermogen ligt.

'Ik dacht dat u dakloos was'', zei ik.

Het was een aardige man. Hij werkte op een kantoor om de hoek en was even een luchtje gaan scheppen. Ik heb een bekertje verse koffie voor hem gekocht en voor mijzelf ook een en we hebben het al slurpend nog even over de schande van de dakloosheid gehad.