Gasten

Op een dag, vele jaren geleden, namen mijn vriendin Hélène en ik twee Chinese studenten mee naar de kathedraal van Chartres. Het was een excursie die al lang van tevoren gepland stond en het trof ongelukkig dat toen de dag tenslotte aanbrak het weer grijs en guur was. Maar we trokken er toch op uit, vertrouwend dat de pracht van Chartres ieder fysiek ongemak zou wegvagen. We voelden ons deugdzaam: een zo belangrijke plaats als Chartres moesten de bezoekers beslist zien (ik was er zelf ook nooit eerder geweest) en wij zouden hen begeleiden: op hun eentje zouden ze het onmogelijk naar waarde kunnen schatten.

De stad Chartres is, zoals onmiddellijk tot ons doordrong, een gat. Maar we waren gekomen voor de kathedraal en daar zouden we voor de snijdende wind kunnen schuilen. Voort ploegden we onder het maken van aanmoedigende opmerkingen als 'Wat groot!'' terwille van onze Chinese gasten. Hélène en ik waren eerstejaars studenten Chinees; we konden elkaar vertellen dat er veel boeken in de bibliotheek waren, hoeveel kommen rijst we achter elkaar konden eten en dat we hard moesten werken om het volk te dienen, maar ons vocabulaire voor buitenshuis was niet groot. Evenmin waren we voorbereid op een exegese der meer obscure leerstellingen van de Christelijke godsdienst, hetgeen een ernstige tekortkoming bleek.

Tegen de tijd dat we ons reisdoel bereikten waren we allemaal verkleumd tot het bot. Geduldig legden onze vrienden ons uit dat het in Taiwan nooit zo koud was. De kathedraal was ook van binnen zeer groot en bleek te zijn gedompeld in een voorhistorische schemer, het leek wel of er voor de gebrandschilderde ramen gordijnen hingen. Het blauw van Chartres is beroemd, verduidelijkten we, als de zon erdoor schijnt is het iets prachtigs. Met behulp van een Guide Michelin en in onze oren de echo van Zazie dans le métro, waarin de Sainte Chapelle voortdurend beschreven wordt als een joyau de l'art gothique, roemden we de ouderdom van de kathedraal en de rijkdom harer kunstschatten.

Onze Chinese vrienden keken om zich heen en knikten beleefd. Ze gaven geen blijk van teleurstelling, maar ook niet van geestdrift. Toen kwam het: 'Wat is dat?'' vroeg het vrouwelijke lid van het Chinese tweetal, wijzend naar een opvallend realistische voorstelling van Christus aan het kruis. Hélène en ik keken naar elkaar zoals ouders doen wanneer een kind in gezelschap een lastige vraag stelt. Gelukkig hadden we een woordenboek meegenomen en dit stelde ons in staat hen te verklaren dat het hier een kruis betrof. Ze knikten weer; ja, dat zagen ze.

'Dat is nu het kruis!'', riepen we, 'en dat is Jezus, Yesu in het Chinees.'' 'Maar waarom hangt hij daar?'', vroegen ze geïnteresseerd, alsof ze dat altijd al hadden willen weten en nooit hadden durven aanroeren. We waren op allerlei vragen voorbereid, maar niet op deze; hadden al die missionarissen in China dan vergeefs geleefd? Waar wij gewoon een crucifix zagen, zagen zij een man die op barbaarse wijze aan een houten kruis was gespijkerd.

Hélène begon aan een ingewikkeld verhaal over de Zoon van God en de zonden van de mensheid, en over de wederopstanding, want het was dus maar tijdelijk geweest; maar zij raakte haar gehoor al vroeg kwijt. Ik herinnerde mij gelezen te hebben dat voor de Chinezen, met hun sterke belangstelling voor familierelaties, deze afstamming volkomen duidelijk was, immers Jezus en Jehovah, Yesu en Yehehua, hadden allebei de familienaam Ye; maar dat maakte het probleem niet overzichtelijker. Hoe kon het, zo wilden onze vrienden weten, dat Christus wist dat hij zou gaan sterven en niettemin toeliet dat het gebeurde? En waarom wilden de mensen daaraan herinnerd worden?

Een eindje verder kwamen we langs een inlichtingenbord waarop een andere morbide preoccupatie van het Christelijk geloof werd geïllustreerd, namelijk de jaarlijkse bedevaart naar Chartres, over een aanzienlijke afstand, en barrevoets. Er waren foto's van groepjes eerzame burgers, met blote witte voeten strompelend over een met scherpe stenen bezaaide weg. De onvermijdelijke vraag viel: 'Waarom doen ze dat?'' Nu is het begrip pelgrimstocht in China niet onbekend; er bestaat een traditie om de vijf heilige bergen te beklimmen, maar te oordelen naar wat je erover leest geschiedt deze bestijging in betrekkelijk comfort, met aardige paviljoens als pleisterplaatsen en uitgekozen fragmenten poëzie op aanplakborden, illustrerend wat je ziet.

Op de vraag of Yehehua zich gediend of vereerd voelde door dat niet dragen van schoenen wisten we geen antwoord te verzinnen; de foto's zagen er ook zo deprimerend uit dat we vermoedelijk toch niet geloofwaardig zouden hebben geklonken. Ook in Ierland, voegde ik er aan toe, beklimmen de mensen ieder jaar een berg, sommigen blootsvoets of zelfs op hun knieën, om te gedenken dat Sint Patrick daar eens de veertigdaagse vasten had doorgebracht. Vanaf de top verdreef hij ook de slangen en padden uit Ierland. Onze vrienden hoorden ons beleefd maar sceptisch aan. Het uitbannen van slangen was een goed ding, daar konden ze inkomen, maar het was duidelijk dat zij zich geen gunstige indruk hadden gevormd van een religie die uitsluitend gericht leek op zelfbestraffing; zelfs het gebrandschilderde glas was in de rouw.

Toen we in Parijs terug waren kwamen we op de gedachte hen mee te nemen naar de ijssalon van Bertillon, op het Isle Saint-Louis, waar je ijs kunt kopen dat in Europa zijn weerga niet heeft. Dit plan viel in goede aarde: 'In Taipei hebben we heerlijke ice-cream'', riepen ze nostalgisch, 'de beste ter wereld!'' Misschien hadden we er op voorbereid moeten zijn, maar nadat we elk van hen voorzien hadden van een selectie ijs die mij nu nog doet watertanden, vertelden ze ons dat dit het niet haalde bij het ijs in Taipei.

Al met al geen geslaagde dag: het weer had niet meegewerkt, de gebrandschilderde ramen leken naar niets, Christus had zich lijdzaam laten folteren en doden, respectabele burgers liepen barrevoets langs stoffige paden en stenige berghellingen, en het beste ijs in Europa haalde het niet bij dat van Taipei.

Inmiddels woon ik in Holland en hoef me niet verantwoordelijk te voelen voor wat mijn omgeving aan ongerijmds te bieden heeft, want nu ben ik zelf een buitenlandse gast. In feite koester ik, als het op sommige Hollandse gewoonten aankomt, soms in mijn borst herkenbaar dezelfde geest van moedwillig onbegrip als onze Chinese vrienden toen.

De slangenverjagende kant van Sinterklaas, bijvoorbeeld, zoals de aankomst van de Goedheiligman over het water, de processie door de stad, de ontvangst door de burgemeester, het strooien van pepernoten voor de kinderen, dat is allemaal good clean fun. Maar het is verrassend dat ook het Protestantse deel van de natie betrokken is in een soort nationaal complot om de kinderen wijs te maken dat hun cadeautjes afkomstig zijn van een rijk uitgedoste en gemijterde katholieke bisschop, compleet met een wit paard en horden met zak en roe uitgeruste zwarte Pieten die, het gaat waarachter alweer over schoeisel, allemaal op Nikes schijnen te lopen; een bisschop die maar drie weken van het jaar in Holland doorbrengt en de rest in het land van de Spaanse erfvijand, en wiens grootste wonder schijnt te hebben bestaan uit het door een raam naar binnen werpen van goudstukken (een beter soort pepernoten), bij wijze van bruidschat voor drie jonge maagden - dat gaat mij boven mijn verstand.

En dan is er al die toegewijde slavenarbeid voor je zelfs maar de kleur van een pakje te zien krijgt: het schrijven van onmogelijke rijmen waarop niets in je vroegere leven je heeft voorbereid en het vermommingswerk om cadeautjes een misleidende gedaante te geven.

Geen twijfel dat het allemaal veel inventiever en folkloristischer is dan die banale Kerstman; maar wanneer deze tijd van het jaar aanbreekt voel ik me toch een beetje als die Chinezen toen zij opeens geconfronteerd werden met een stelletje verkleumde en blootvoetse aanhangers van een onbegrijpelijk geloof. Een krachtige bloody mindedness neemt bezit van mijn gemoed: je eigen ijs is als het erop aankomt altijd beter.