Fransen vrezen concurrentie en geven anderen de schuld

Het Gatt-overleg over internationale handelsliberalisering nadert een beslissend stadium nadat de onderhandelaars van de Europese Unie en de Verenigde Staten elkaar op 1 en 2 december in Brussel hebben ontmoet. De stemming is daar tamelijk optimistisch. Toch heeft het aarzelende Frankrijk laten weten dat het op 6 december wenst te beschikken over een aanvaardbaar document omdat het anders niet in staat is voor de uiterste datum 15 december een akkoord af te ronden.

Welke positie de Franse regering in de Gatt-affaire ook in neemt jegens de Verenigde Staten - tactisch, en in dat geval moeten we ons vaandel hoog houden, of strategisch, en dan dienen wij ons waarschijnlijk voor te bereiden op een impasse - de Franse houding weerspiegelt in ieder geval een tendens die, indien ze niet worden bestreden, eerder wijst op een terugtocht dan op een Frans offensief. De publieke opinie is er bang voor de mondialisering van de economie en dat is ook niet meer dan normaal, want de produktiviteitswedloop is zeker geen pretje. De Franse opinie is echter zorgelijker gestemd dan elders, en wijst Europa aan als de kwade genius achter deze destructieve ontwikkeling. En dat is op zichzelf verrassend. Een land dat het leeuwedeel van zijn vooruitgang heeft te danken aan het succes van de Europese eenwording, begaat een misstap zodra het het risico neemt om deze te ondermijnen: want wie kan aannemen dat een land als Duitsland bereid zal zijn zich op te sluiten in een tête-à-tête met een Frankrijk dat voor isolement kiest?

Er is een beeld dat de nieuwe nationale koers symboliseert: president François Mitterrand aan de zijde van premier Edouard Balladur, tijdens hun recente bezoek aan Madrid in een gesprek met de koning van Spanje en premier González, waarin zij spreken over 'wettige zelfverdediging' en om het hardst verklaren geen duimbreed te zullen toegeven. Was dit vertoon echt nodig? Zou ons staatshoofd niet overtuigender zijn geweest in een positief betoog dat het land en de regering helpt in te zien waar het hier in wezen om gaat: om de relatie van Frankrijk met de rest van de wereld; en om het gezag dat ons land in de komende tien jaar op het internationale toneel zal hebben, niet meer en niet minder? En hoe kunnen de Fransen hun stem juist in deze wereld laten horen, als ze uitsluitend belangstelling kunnen opbrengen voor hun behoefte te worden uitgezonderd? Het etno-centrisme lijkt weer 'in', maar dat is nog geen reden om zich er achter te scharen.

Temeer daar wij ons zo op spekglad terrein begeven en ons regelrecht laten terugvoeren naar Malthus en daarmee naar de idee van achteruitgang. In ieder geval zijn er tekenen te over van een maatschappij die aan zichzelf twijfelt, die een vage intuïtie van haar grote sociale kwetsbaarheid heeft en die in de verleiding gebracht kan worden om een arrogant gedrag aan te nemen, dat een angstige houding ten opzichte van de buitenwereld moet verhullen. 'Rillerig', zo beschreef ex-premier Raymond Barre onlangs de Fransen.

De Franse gezinnen twijfelen: het demografisch verloop is sinds drie jaar weer negatief. Frankrijk vergrijst, terwijl dit treurige lot alleen Duitsland leek beschoren. Als enigen in Europa kunnen linkse Fransen zich niets anders meer voorstellen dan de verdeling van het bestaande - al was het maar werk - terwijl zij niet lang geleden de verdediging van de groei hoog in het vaandel schreven. Sommige Franse werkgevers menen dat de vooruitgang van de produktiviteit een halt toegeroepen moet worden, wat neerkomt op een poging de gevolgen van de mondialisering te vertragen. Sommige parlementsleden trekken ten strijde tegen de 'dislocatie' van hulpbronnen terwijl nu juist de buitenlandse investeringen in Frankrijk - en dus de 'dislocaties' in ons voordeel - hoger zijn dan de Franse investeringen in het buitenland.

Het is een speling van het lot dat senator Arthuis, die van zich liet horen met een rapport vol verzet tegen 'dislocatie', onlangs een onderneming uit Hongkong zag investeren in zijn departement Mayenne. Bovendien leggen de Franse huishoudens zoveel mogelijk spaargeld opzij in plaats van zich te bekommeren over het weer op gang brengen van de consumptie. Dat alles uit angst voor de heersende tijden, met hun lange stoet werklozen die naar het einde van hun recht op uitkering schuifelen ...

Wat lijkt het lang geleden, de gelukkige tijd dat Europa in Amerika werd beschreven als een supermogendheid in wording, als een toonbeeld van vooruitgang. En opeens heeft Europa pech onderweg, voelt het zich bedreigd van binnenuit, is het op de terugtocht, en ligt misschien zelfs de verbrokkeling op de loer. Uitgerekend op het moment dat Azië-Stil zich sterk maakt en Amerika daar de grondslagen legt voor een regionale organisatie. Wat een misinterpretatie van hen die vandaag de verleidelijke draad weer opnemen van een protectionistisch compromis à la française' dat altijd tot tevredenheid heeft gestemd bij groot deel van het patronaat, de vakbonden en de politieke partijen en dat tegemoet komt aan de wensen van corporaties, die niet alleen tot de landbouw behoren en wier als maar hogere kosten via allerhande subsidiëring zorgvuldig worden verhuld.

Historisch gezien dateert de verwerping van deze praktijk van nationale compensaties pas van maart 1983, met alle respect voor hen die verklaren dat politiek links het land slechte diensten heeft bewezen. Het is daarom niet meer dan normaal dat een overmaat aan liberalisme en vrijhandel, ervaren als een nieuwe 'American Rule', nu een voedingsbodem is voor heimwee naar het protectionisme en zijn beide handlangers, de inflatie en de devaluatie. En het is al even normaal dat de rechtervleugel hier bijzonder gevoelig voor is, omdat deze zich van nature verwant voelt met werkgevers- en landbouwlobby's. Het is goed dat dit debat wordt gehouden en dat de Union pur la Démocratie Française (UDF), of tenminste zij die niet bang zijn om haar te vertegenwoordigen, zoals Giscard d'Estaing, Barre en Millon, de eigen identiteit verdedigen door opnieuw te bevestigen dat deze thuishoort in het kamp van de openheid en het risico. Het wordt tijd dat Edouard Balladur dat voorbeeld volgt.

Het is een beslissend moment voor de eerste minister, dat in bepaalde opzichten herinnert aan de ontmoeting die tien jaar geleden plaatsvond tussen de linkervleugel en de geschiedenis. Het probleem waar links en de toenmalige eerste minister destijds voor stonden, was het doen aanvaarden van externe verplichtingen door een meerderheid die ertegen was. De moeilijkheid is nu van dezelfde aard, met dien verstande dat de houding van de UDF Balladur gelukkig in een scheidsrechterpositie plaatst. Maar daar waar Pierre Mauroy een decennium geleden in eigen kamp een expliciete oppositie moest trotseren die zich 's avonds verenigde in het bureau van François Mitterrand, ziet Edouard Balladur slechts een verspreid verzet. Kan hij het zich veroorloven om in de steek gelaten te worden door een Jacques Chirac die zich al opmaakt voor de volgende presidentsverkiezingen? In 1983 had Frankrijk in Duitsland een betrouwbare partner die bereid was de nodige drang in liberale richting uit te oefenen. De Verenigde Staten zijn echter Duitsland niet: ze staan onder leiding van mensen die ons niet alleen niet begrijpen, maar die bovendien hoofdzakelijk gekeerd zijn naar hun eigen, binnenlandse front, en die zodra ze hun blik op de buitenwereld richten, alleen Azië zien.

Maar in sommige opzichten is de taak van Edouard Balladur vandaag neteliger: gisteren had het land in feite geen keus, behalve misschien de keus van een Albanese bestemming: gezien de financiële situatie zat het eigenlijk in de val; maar wanneer nu de onderhandelingen eenmaal voorbij zijn, slaat iedereen als een gek aan het rekenen om te zien of de eerste minister wel of niet moet tekenen. Deze onderhandelingen hebben bovendien minder draagwijdte, want in kwesties van internationale handel, volgt de ene onderhandelingsronde de andere in snel tempo op. In ieder geval staat Balladur met zijn rug tegen de muur die zijn eigen meerderheid heeft opgetrokken. Er is geen betere test denkbaar voor iemand die in de nabije toekomst een rechtmatig vertegenwoordiger van een land wil worden, en niet alleen van zijn partij.

© Colombani/Le Monde/distr. NY Times Syndication Sales.