'Exoten' bedreigen inheemse diersoorten

DREISCHOR, 4 DEC. Boswachter D.J. Fluijt van Staatsbosbeheer heeft er 38 geteld: Europese maar vooral Chileense flamingo's, die hun toevlucht zochten tot het natuurgebied Dijkwater, een ingedijkte kreek op Schouwen-Duiveland bij Dreischor. De sierlijke, roze vogels met hun gekromde snavel zijn stuk voor stuk ontsnapt of opzettelijk losgelaten uit particuliere, in dit geval waarschijnlijk Belgische verzamelingen. Exoten worden ze genoemd: dieren die hier van nature niet thuishoren. Hun aanwezigheid in het wild is een vorm van faunavervalsing, waar biologen en terreinbeheerders zich steeds meer zorgen over maken.

Ook elders in Nederland zijn regelmatig Chileense flamingo's te zien, onder andere in het Lauwersmeer en aan de IJsselmeerkust bij het Friese Makkum. Ze broeden hier echter niet, richten geen schade aan en vormen voor instellingen als Staatsbosbeheer nauwelijks een probleem. Als het bij die exotische vogels bleef, zou het daarom zo'n vaart niet lopen. Maar er leven in Nederland ook geïmporteerde diersoorten die de natuur wèl schade toebrengen doordat ze de inheemse fauna geduchte concurrentie aandoen. Voorbeelden daarvan zijn de Nijlgans (uit Egypte), de nerts en de Amerikaanse wasbeer.

Bioloog D. Jonkers van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN) maakt bovendien gewag van Zuidamerikaanse blauw-gele ara's (papegaaien) die in het Elswoud bij Haarlem rondvliegen en daar ook in holle bomen broeden sinds ze doelbewust door een papegaaieliefhebber zijn losgelaten. 's Winters worden ze bijgevoerd. Halsbandparkieten van Indiase en Pakistaanse oorsprong hebben zich metterwoon in het Haagse Zuiderpark gevestigd na ontsnapping uit privé-volières.

Nijlganzen zijn afkomstig uit particuliere watervogelcollecties en wisten zich over een groot deel van Nederland te verspreiden. In het wild worden er vele honderden van geteld, bijvoorbeeld aan de Veluwse randmeren, op de Loosdrechtse plassen, langs de grote rivieren en in Zeeland. Ook boswachter Fluijt heeft ermee te maken, tot zijn grote verdriet. “De Nijlgans”, zegt hij, “is een bijzonder agressieve soort, die vooral in de broedtijd, maar ook daarna geen andere dieren in zijn omgeving duldt. Eenden, meerkoeten, waterhoentjes, hij jaagt ze allemaal weg en daarom vormt de Nijlgans een regelrechte bedreiging voor de overige fauna. Door zijn gedrag wordt de oorspronkelijke leefcultuur aangetast.”

In Oost-Nederland zijn het Amerikaanse wasberen die sinds de vroege jaren zeventig bijdragen aan de faunavervalsing. Het gaat om dieren die in Duitsland waren geïmporteerd terwille van de bonthandel. Destijds wisten enkele exemplaren uit een Duitse fokkerij te ontsnappen om vervolgens de Nederlandse grens over te steken en zich hier voort te planten. Wasberen staan bekend als felle jagers, die inheemse roofdieren als boommarter, steenmarter en bunzing het brood uit de mond stoten. Omdat wasberen in het wild een verborgen bestaan lijden, is het moeilijk een duidelijk zicht op de stand van deze exoot te krijgen.

Vooral vochtige oevergebieden vormen het domein van Amerikaanse nertsen die uit kwekerijen zijn gevlucht. Bioloog F.A. Bink van het IBN (onderdeel van het ministerie van landbouw en natuurbeheer): “Deze exoten plunderen nesten van eenden en meerkoeten en beconcurreren andere zoogdieren die aan de waterkant leven. Ik denk speciaal aan de otter. Die is weliswaar in Nederland uitgestorven, maar er zijn plannen voor herintroductie van de soort in het Friese natuurgebied Alde Faenen. Als dat inderdaad gaat gebeuren, mogen ze wel uitkijken dat er geen nertsen op het toneel verschijnen.”

Het komt wel voor dat exoten in Nederland niet aarden, bijvoorbeeld wegens voedselgebrek of omdat ze ons klimaat niet verdragen. Zulke dieren verdwijnen dan weer even snel uit de natuur als ze gekomen zijn. Zie de overhaaste aftocht, jaren geleden, van goudhamster en cavia. Andere exoten, zoals de beverrat, lijden een kwakkelend bestaan, maar er zijn er ook die in hun nieuwe omgeving floreren, bijvoorbeeld de Nijlgans, de muskusrat en het wilde konijn.

Anders dan men zou denken behoort ook die laatste tot de exoten, althans volgens een in biologische kringen algemeen aanvaard uitgangspunt, dat aan inheemse soorten een historische beperking oplegt. Als inheems gelden die dieren die sinds de laatste ijstijd, 10.000 jaar geleden, in Nederland leven of hebben geleefd. Het konijn was in de laatste ijstijd bij ons uitgestorven, maar werd hier omstreeks het begin van de jaartelling door de Romeinen weer ingevoerd uit het Middellandse-Zeegebied. Strikt genomen is het dus een uitheemse soort en datzelfde geldt voor damhert en fazant, die in de middeleeuwen in Nederland zijn uitgezet.

Onderzoeker Jonkers: “Natuurlijk is er wel verschil tussen bewust en onbewust invoeren van een soort. Bij damhert en fazant gebeurde het bewust, opzettelijk, maar het kan ook per ongeluk gebeuren. Een soort kan ongezien met transportmiddelen meeliften. Zo is in de Bronstijd, 2300 tot 2600 jaar voor Christus, de huismuis in onze streken beland.”

Jonkers onderstreept bovendien dat pas van een exoot sprake is als het bewuste dier niet op eigen kracht het nieuwe gebied heeft kunnen bereiken. En omgekeerd: een soort die hier wel op eigen kracht terecht kwam, verdient het predikaat 'inheems'. Een voorbeeld daarvan is de turkse tortel, die zich na de oorlog zonder menselijke bemoeienis een plaats in Nederland wist te veroveren. Ook de Europese flamingo zou vanuit zijn broedgebied in de Franse Camarque bij gunstige zuidenwind in Nederland verzeild kunnen raken, maar in het geval van de ontsnapte Chileense variant is sprake van pure faunavervalsing.

Die term is ook van toepassing op de Siberische grondeekhoorn, die sinds 1972 in de buurt van Tilburg voorkomt, na de ontruiming van een dierenpark aldaar. In het Zoniënwoud bij Brussel heeft dezelfde, uit Korea geïmporteerde soort gezorgd voor een sterke achteruitgang van de populatie inheemse eekhoorns.

In de sector vissen levert de Chinese graskarper een bijdrage aan de faunavervalsing. De soort werd circa twintig jaar geleden in Nederland uitgezet om overtollige plantengroei in sloten en vaarten te bestrijden als alternatief voor het gebruik van chemische en mechanische middelen. Een nuttig dier dus, maar tegelijk een onvervalste exoot, reden waarom biologen zijn doen en laten met enig wantrouwen volgen.

Dat wantrouwen verkeert in pure weerzin als het, boven de waterspiegel, om een dominante 'nieuwkomer' als de Nijlgans gaat. Jonkers en Bink: “Die kunnen we missen als kiespijn en niet alleen omdat hij andere dieren dieren schade berokkent. De Nijlgans hoort hier eenvoudig niet thuis.” Boswachter Fluijt is het daar roerend mee eens: “Wie Nijlganzen of flamingo's wil zien, moet maar naar Artis gaan.”