Existientiële wanhoop verstikt in traag spel

Voorstelling: Leonce en Lena van Georg Büchner door Theatergroep Hollandia. Regie: Johan Simons. Spel: Jeroen Willems, Betty Schuurman, Bert Luppes, Jacqueline Blom, Flip Filz, Robijn Wendelaar, Carine Korteweg. Toneelbeeld: Leo de Nijs. Kostuums: Valentine Kempynck. Gezien: 2/12 ABC-complex, Hoorn. T/m 23/12 aldaar; inl. 075-310231.

Voor Leonce en Lena, geschreven in 1836, liet Georg Büchner zich inspireren door een destijds populair dramatisch genre: de pastorale romance. Dat genre hield zich bezig met lieden die het gedruis van de wereld ontvluchtten en zich in de natuur overgaven aan gemijmer over schoonheid, oneindigheid en een leven vol tedere liefde. In Büchners parodie ontvlucht prins Leonce van het koninkrijk Popo het ouderlijk huis omdat hij niet wil trouwen met de bruid die zijn vader voor hem heeft uitgekozen, prinses Lena van het koninkrijk Pipi. Buiten, onder Gods blote hemel, hoopt hij de vrijheid te vinden waaraan het hem binnen ontbreekt.

In de voorstelling die Hollandia van Leonce en Lena maakte, ziet die natuur er echter allesbehalve herbergzaam uit. Een aardhoop, bezaaid met dode eksters, verspert de ingang van de tot theater verbouwde loods en een diepe, modderige greppel scheidt de tribune van het podium. De actrice die de bijrollen speelt, ploetert, hoe gemeen, in gummilaarzen door die greppel. De zes overige acteurs spelen op een smal plankier. Ze mogen niet te dicht bij de rand komen want dan vallen ze in de diepte. Het ruimtegebrek dwingt hen tot trage en omzichtige bewegingen - voor zover zij überhaupt bewegen.

Goed, Leonce en Lena gaat nu eenmaal over verveling en melancholie en over de halfslachtige pogingen daaraan te ontsnappen. Maar zo tergend traag is het tempo van de voorstelling, dat zelfs Büchners kwinkslagen en briljante woordspelletjes vermoeid en lusteloos klinken. Het meest ontoerekeningsvatbaar van allemaal is wel koning Peter, die over het Ding-an-Sich filosofeert terwijl zijn Ding-an-Sich uit de wijd openstaande gulp van zijn onderbroek steekt.

Leonce en Lena is een satire op de wereldvreemde toestanden aan de tientallen vorstenhoven waarin Duitsland in Büchners tijd versnipperd was, maar het koninkrijk Popo (poep) is tevens een metafoor van een maatschappij waarin de ene groep mensonterend werk moet verrichten en de andere zijn dagen in mensonterende ledigheid slijt. Woyzeck, vorig seizoen door Hollandia gespeeld, gaat over die eerste groep, Leonce en Lena over de tweede. Beide groepen zijn er volgens regisseur Johan Simons even slecht aan toe.

Dat de existentiële wanhoop van Leonce mij toch niet raakte, heeft te maken met het afstandelijke spel. Ontroerend is alleen het moment waarop Leonces afgewezen minnares Rosetta met fragiele stem begint te zingen. Haar naakte lichaam is besmeerd met zwarte verf. Ze ziet eruit als een wilde, maar schijn bedriegt: ook Rosetta lijdt aan Weltschmerz, doodsverlangen en andere symptomen van overbeschaving.

De strijd tussen natuur en cultuur is een favoriet thema van het in locatietheater gespecialiseerde gezelschap Hollandia, dat het Noordhollandse polderlandschap steevast tot onderdeel van haar toneelbeeld maakt. Zo grondig doordacht is Simons' gronderige enscenering dat de humor er bij in schiet. Mag er volgende keer iets meer lucht bij?