Enklaar leest Kafka's adembenemende brief aan vader uitstekend

Voorstelling: Brief aan vader van Franz Kafka. Regie: Ernst Braches; spel: Cas Enklaar; vormgeving: Theo Tienhooven. Gezien: 2/12 Toneelschuur Haarlem. Aldaar: 4/12, daarna elders t/m 18/12.

Cas Enklaar is een uitstekend spreker, laat ik dat voorop stellen. Na anderhalf uur onafgebroken aan het woord te zijn geweest toont hij geen sporen van vermoeidheid en zijn stem klinkt nog helder of hij pas is begonnen. Zijn verhaal heet Brief aan vader en het is, op twee geschrapte passages na, de volledige zestig bladzijden tellende brief die Franz Kafka in 1919 aan zijn vader Hermann schreef (die de brief nooit onder ogen heeft gehad) en die later werd gepubliceerd als Brief an den Vater.

Waarom Enklaar en regisseur Ernst Braches deze brief nu als monoloog op het toneel hebben gezet, wat met andere woorden het doel van de hele onderneming is - ik zou het niet weten. Vermoedelijk had het geen andere reden dan dat ze het publiek kennis willen laten nemen van een adembenemende tekst. Een op zichzelf respectabel streven, temeer daar ze de brief zoveel mogelijk de brief hebben gelaten en slechts een onopvallend grijs vloerkleed, een dito tafel en een stoel toegevoegden. Verder heeft Ernst Braches zich als regisseur geheel weggecijferd en Cas Enklaar het woord gegeven.

Hij zit daar midden op het toneel enigszins van de tafel afgedraaid en kijkt het publiek niet aan. Zijn ogen richten zich beurtelings op zijn handen en op een punt ergens op tafel of op de grond. “Lieve vader”, begint hij met zijn zware stem, “u hebt mij laatst eens gevraagd waarom ik beweer dat ik bang voor u ben.” Gestaag en vrijwel zonder pauzes vervolgt hij zijn gesproken brief totdat hij aan het eind gekomen met 'Franz' besluit. Enklaar doet geen pogingen de zinnen mooier te maken dan ze zijn: hij praat als een monomaan die eindelijk zijn hart kan luchten. Eenmaal begonnen is hij niet meer te stuiten, de herinneringen aan zijn vader en de pijnlijke voorvallen uit zijn jeugd komen in een vloedgolf naar boven.

Vader en zoon zijn van elkaar vervreemd; waarom de verhouding tussen hen beiden in de loop der jaren zo scheef is gegroeid probeert hij in deze brief te analyseren, zonder dat zijn (lees: Enklaars) toon ook maar een moment verwijtend of klagend wordt.

Herhaalde malen benadrukt hij juist dat zijn vader zomin als hijzelf schuld heeft aan hun verwijdering, hoogstens heeft vaders dominerende invloed zijn zwakke eigenschappen versterkt en van hem een kind gemaakt dat nog angstiger en onzekerder werd dan hij in aanleg toch al was. “Vanuit uw leunstoel regeerde u de wereld (-), het was of u geen idee had van uw eigen macht”, zegt Franz die zich door zijn vader gekleineerd voelde en zijn toevlucht zocht bij moeder. Maar hoewel moeder hem verwende koos ze altijd partij voor haar aanbeden echtgenoot en zodoende “speelde (ze) onbewust de rol van drijver bij de jacht.”

Pas de laatste vijf minuten, als Enklaar een aantal bezwaren aandraagt die vader tegen de brief zou kunnen inbrengen, staat hij op en kijkt ons recht in de ogen. Een schokkend moment: het is alsof hij je gedachten heeft geraden, en je voelt je als toeschouwer betrapt.