De recensie als medicijn

Een literaire recensent, zo schreef The New York Times vol dédain in 1966, is 'een man die wel de weg weet maar niet kan autorijden''. Of en in hoeverre die opvatting van toepassing is op de vandaag gepresenteerde publikatie moeten uiteraard de lezers beoordelen. Maar interessant is wel dat The Times Literary Supplement (TLS), te beschouwen als de éminence grise onder de literair-kritische bladen, ooit is gelanceerd door mensen die geen auto's hadden en nog geen wegen kenden, maar uiteindelijk wel hun bestemming hebben bereikt.

Het TLS verscheen voor het eerst op 17 januari 1902, zonder enige ruchtbaarheid, als een bijlage van acht pagina's bij het dagblad The Times. De bijlage weerspiegelde geen nieuw enthousiasme voor boekbesprekingen, maar was het gevolg van een ingreep achteraf, een maatregel om ruimte in de krant zelf uit te sparen; en als we de legende die men bij The Times vertelt mogen geloven, is het TLS alleen blijven bestaan omdat de uitgever vergeten was dat het bestond. Later, toen het als zelfstandig blad aan het publiek werd gepresenteerd, heeft het nooit meer een blik achterom geslagen.

Het is niet de bedoeling van deze krant een dergelijk staaltje te leveren, want het succes van het TLS was te danken aan de toenemende invloed van de Engelse taal. Maar in landen waar geen wereldomspannende taal wordt gesproken, hebben boekbesprekingen dezer dagen een nog belangrijker rol te vervullen: ze worden geacht een overzicht van het nationale aanbod te bieden en tegelijkertijd de internationale literatuur aan hun lezers te presenteren.

George Bernard Shaw stelde eerder in deze eeuw: 'het enig onmisbare in het boekenvak zijn de auteur en de verkoper; de parasieten tussen hen in zijn overbodig.'' Er werden wel levendige debatten gevoerd in de kolommen van enkele dagbladen, maar 'gedegen' besprekingen bleven beperkt tot literaire sociëteiten, selecte koffiehuizen en, natuurlijk, de boekwinkel zelf. Volgde de triviale lectuur het grote publiek van het spoorwegstation naar het schap in de supermarkt en de luchthaven, de handel in 'echte' academische werken en 'serieuze' verhalende literatuur bleef het troetelkind van een uniek stelsel van wederverkopers waarin kennis van de markt meer telde dan verkoperstalent.

Weliswaar had het pocketboek zich sinds de jaren dertig door heel Europa en Noord-Amerika vaste voet verworven, veelal op een niveau tussen het populaire en het intellectuele in, maar de winstmarges in de boekhandel waren vaak gegarandeerd en speciale belastingtarieven voor het boekenvak waren de norm. Het verschil tussen de ene boekwinkel en de andere was derhalve niet noodzakelijk een verschil in prijs, maar meer een in dienstverlening. Succes hadden de winkels die veel titels in voorraad hielden, of waar het personeel zelf uit boekenliefhebbers bestond. Een bezoek aan een boekwinkel was een leergang op zichzelf, en de consumenten waren vaak dwangmatige kopers en rationele klanten tegelijk: ze maakten hun keus vaak à la minute, op grond van de jarenlange ervaring van de verkoper.

Uitgevers negeerden recensies nooit, al waren het in hun ogen en in die van hun auteurs medailles met een keerzijde. Voor vele auteurs was de criticus niet meer dan één lukrake verzameling vooroordelen, verpakt als verfijnde smaak, iemand die hun werk bezag met begrip noch sympathie. Een recensie in het TLS was iets heel anders dan een recensie in een dagblad. En kranteredacteuren waren het daarmee doorgaans eens en beschouwden boekbesprekingen aanvankelijk als weinig meer dan bruikbaar vulsel, dat kon worden afgedrukt wanneer er toevallig plaats voor was. Nog halverwege de jaren tachtig werd het besluit van de Londense krant The Independent om dagelijks op de opiniepagina een boekrecensie te plaatsen door de concurrentie ontvangen met een mengeling van schamper gelach en onverschilligheid.

Deze tijden liggen nu veilig achter ons, en dat zoals gewoonlijk niet om de meest genoemde redenen. De explosieve ontwikkelingen in de informatie-technologie zorgen, zoveel is zeker, voor een metamorfose van de boekenuitgeverij. Compact disks kunnen goedkoop worden geproduceerd en bevatten reusachtige hoeveelheden informatie. Toch is het nog maar de vraag of de gemiddelde lezer uit vrije wil onder de wol zou kruipen met een computerscherm, hoe plat of klein die ook ooit mogen worden. Voorlopig zijn het nog de woordenboeken en encyclopedieën, typisch het soort boeken dus dat men niet zo vaak openslaat, die de ruggegraat vormen van de elektronische tak van de uitgeverij. En te verwachten valt dus dat het leesplezier nog vele jaren tot het domein van het papier en niet tot die van de elektronische puls zal behoren.

Intussen is de oude boekenuitgeverij echter radicaal veranderd. De stijging van de 'vastgoedprijzen' heeft niet alleen de kruidenier op de hoek maar ook de kleine boekwinkel verdreven. Zeker, er bestaan nog wel specialistische boekwinkels, maar dat zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen - hokkerige nerinkjes voor de klant met bijzondere wensen. De boekenverkoop wordt in toenemende mate gedomineerd door grote winkelketens die zich richten op kleine winstmarges bij een grote omzet, de massaverkoop van minder titels, maar ook brancheverbreding tot computerspelletjes, videobanden, speelgoed en muziek. Rondneuzen in de winkel wordt nog wel aangemoedigd, natuurlijk, maar wie een winkelbediende vraagt waar hij De naam van de roos van Umberto Eco kan vinden, loopt grote kans te worden verwezen naar de afdeling tuinboeken.

Treuren om het verdwijnen van de oude boekwinkel in heel het geïndustrialiseerde Westen is zinvol noch terecht, want de actuele technologie werkt geenszins het filisterdom in de hand, maar kan juist helpen bij de verdere verbreiding van kennis. Door desktop publishing zijn zowel de kosten als de tijd die gemoeid zijn met de boekproduktie enorm gereduceerd, wat meer kleine uitgeverijtjes toegang tot de markt heeft verschaft; goedkopere drukkerijen, vooral in Azië, stellen Westerse uitgevers in staat de winkelprijzen èn de winstmarges constant te houden. Bovendien maakt elektronische informatieverschaffing het zelf in voorraad houden van veel titels overbodig: die kunnen bij centrale magazijnen worden besteld en snel bij de klant bezorgd - mits die weet wat hij hebben wil.

Toch is het eveneens waar dat uitgevers minder snel bereid zijn risico's te nemen en veelal hun titels niet een aantal jaren maar een aantal maanden verkrijgbaar houden. Tal van uitgeverijen werken volgens een publikatiebeleid dat direct gericht is op bibliotheken: ze berekenen hoeveel daarvan er bestellingen zullen plaatsen, calculeren de prijs daarnaar en leggen precies dat aantal exemplaren op, waarbij dus de detailhandel geheel wordt omzeild. Nu is deze praktijk niet erg gangbaar waar het literaire fictie betreft, maar in de sociale wetenschap worden zeer veel boeken door dit lot getroffen.

De detailhandel wordt steeds sterker gedomineerd door titels waarvan het aannemelijk is dat ze de grote aan publiciteit bestede bedragen ruimschoots zullen terugverdienen. Redacties bewegen tot recenseren is tegenwoordig een vak op zichzelf, want de kritiek moet niet alleen gunstig zijn, maar ook verschijnen op het moment dat het bewuste boek breeduit in de etalages ligt. Sommige uitgevers gaan verder en laten zelf recensies schrijven voor hun boeken verschijnen: 'schokkend', 'zet de lezer aan het denken', 'onthutsend' zijn positieve kwalificaties die met graagte op het achterplat worden afgedrukt. Andere vertrouwen op onze kuddegeest: hun marketing-technieken - 'ruim een miljoen exemplaren verkocht' of 'nu reeds de vijfde druk' - verschillen niet van die van de supermarkt waar een sticker met 'bekend van de televisie' of 'zoals gebruikt in de film Rambo III' op een keukenmes wordt geplakt.

De hype bereikte zijn hoogtepunt met de recente memoires van Margaret Thatcher. Om de spanning op te voeren liet men de uitweidingen van de Britse ex-premier bij de drukker bewaken als waren het de goudreserves van de Bank of England, en werden ze pas in grote aantallen op de markt losgelaten nadat potentiële lezers een 'voorproefje' hadden gekregen in The Sunday Times. En de publikatie van fragmenten werd, naast reacties van prominenten onder haar ex-kabinetsleden, tot standaardmunitie in de Britse krantenoorlog.

Niet al deze ontwikkelingen zijn te betreuren: dikke winsten op sommige titels stellen uitgevers in staat andere, minder commerciële projecten te subsidiëren. Maar wel illustreren ze de steeds groeiende wederzijdse afhankelijkheid van uitgevers en de media in het algemeen, en het belang van boekbesprekingen. 'Grote omzet, kleine winst', is een aloude verkooptechniek die van de consument kennis van zaken eist.

Maar boekbesprekingen doen meer: het zijn uitstekende sociale nivelleerders. Voor veel jonge auteurs en kleine uitgevers is een recensie zo'n beetje de enige publiciteit die ze ooit krijgen. Bovendien is de meest elementaire functie van een recensie tegenwoordig tegelijk haar belangrijkste, namelijk alle lezers, ook hen die slechts weinig van het onderwerp in kwestie weten, attent te maken op een nieuwe publikatie of het begin van een nieuw intellectueel debat. En dat is van toepassing op zowel particuliere als institutionele kopers, want ook vak-bibliothecarissen hebben niet steeds tijd of zin om uitgeverscatalogi te doorzoeken, en evenmin het geld om zich een miskoop te kunnen veroorloven. Al met al vormen boekrecensies dus zowel een manifestatie van als een medicijn tegen de huidige uitwassen van de uitgeversmarkt.

Gezien de geringe oplagen van vooral academische titels is de tijdige verschijning van een recensie, zo dicht mogelijk bij de verschijningsdatum van een boek, van essentieel belang. Het TLS is echter niet het enige blad dat snelheid moet opofferen aan economische factoren. Publikaties over boeken kunnen maar moeilijk advertenties werven bij producenten van algemene consumptieartikelen; heel vaak zijn ze voor hun reclame-omzet aangewezen op de uitgevers. En de uitgevers raken steeds sterker geïnteresseerd in speciale themanummers: een nummer over schilderkunst of architectuur zou bijvoorbeeld uitgevers aantrekken die anders weinig heil zien in adverteren. En uit de aard der zaak leiden themanummers tot uitstel van recensies over actuele boeken.

Juist daar kan een uitgebreid boekenkatern in een dagblad een belangrijke lacune opvullen. De bredere lezerskring dwingt een krant er in de praktijk toe meer onderwerpen op uiteenlopende vakgebieden te behandelen. De bredere adverteerders-cliëntèle veroorlooft een eclectische keuze van titels, en waar een recensie over een boek van een nieuwe uitgever in een vakblad zeker nuttig is, kan een recensie in een landelijk dagblad het verschil uitmaken tussen onmiddellijk succes en een lange economische doodsstrijd.

Tot slot echter zou het dwaasheid zijn te beweren dat de uitbreiding van boekenkaternen in dagbladen (een verschijnsel dat behalve in Groot-Brittannië ook is waar te nemen in Duitsland, Spanje en Italië) zuiver altruïstisch zou zijn: door een gelukkig toeval zouden dezelfde krachten die zo'n verandering teweegbrengen in de boekhandelsbranche wel eens een grotere belangstelling kunnen wekken voor de uitgeverswereld als geheel.

De ondergang van de dagbladpers is al vaak voorspeld, en veelal op grond van verkeerde argumenten. Zeker, 99 procent van de grootste Amerikaanse steden moet het stellen zonder concurrentie in de plaatselijke dagbladpers, en de verkoop van dagbladen in Amerika is gehalveerd ten opzichte van 1945. Bovendien kan de start, binnenkort, van CNN Text, een teletekstdienst die via de satelliet bijna duizend pagina's regelmatig bijgewerkte tekst zal verspreiden in een potentiële markt van 17 miljoen huishoudens in Europa, erop wijzen dat de positie van het dagblad als voornaamste informatieverschaffer thans zwaar onder druk staat.

Dat is zo, en toch ook weer niet. De radio heeft de krant niet verdrongen, en de televisie heeft op haar beurt de radio niet weggevaagd - alle drie deze media blijken te kunnen coëxisteren. Bepalend hiervoor, althans in Europa, zijn keus en kwaliteit. De Britse markt is een goed voorbeeld: in een land met een betrekkelijk goede televisie-programmering groeit het radio-publiek tegelijkertijd met sprongen en worden per dag meer dan 13 miljoen dagbladen verkocht, met een piek van 16 miljoen op zondag.

De smaak van de krantelezer is echter aan het veranderen. Het publiek verwacht van zijn krant niet langer nieuws zonder meer, maar daarnaast ook uitvoeriger commentaren en, algemeen gesteld, een leesbaarder krant. In Britse kranten zijn de laatste tijd ten minste dertien nieuwe katernen verschenen, en daarvoor zijn de lezers ook bereid te betalen: de oplage van de zaterdagkranten - die het eerst in volume zijn toegenomen - is een miljoen hoger dan door-de-weeks, en die van de zondagskranten 1,5 miljoen hoger. Een lezer die zowel een zaterdag- als een zondagkrant koopt mag zich nu verheugen op het lezen van in totaal 470 pagina's, en dat alles voor een prijs van iets meer dan drie gulden.

De veranderingen lijken zich uit te strekken tot alle gedrukte media: zelfs een verheven instituut als The Economist, die bijbel van beleidsmakers overal ter wereld, heeft ontdekt dat zijn meest gelezen pagina's niet die met het nieuws en de analyses waren, waarom het blad terecht beroemd is, maar de rubrieken kunst, wetenschap en boekbesprekingen. Lezers zijn logische wezens: op het gebied van snelle nieuwsvoorziening kunnen kranten niet met televisie of radio concurreren, maar ze zijn uitstekend in staat terugkerend, dagelijks commentaar te leveren dat intelligent of op zijn minst amusant is. Ergo, de commerciële noodzaak die de kranten ertoe dwingt hun werkgebied uit te breiden, valt wonderwel samen met het toenemende belang van boekrecensies.

De beslissing om een boek te recenseren berust natuurlijk altijd op de veronderstelling dat anderen het zullen willen lezen, en nooit op een waardevrij oordeel. Toch lijdt het nauwelijks twijfel dat de macht van de recensent ook enkele verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Zo heeft het TLS tussen beide wereldoorlogen herhaaldelijk publikaties verwelkomd waarin de loftrompet werd gestoken over de verrichtingen van 'kameraad' Stalin, 'Herr' Hitler of 'Il Duce'. Gewoonlijk werd aan lieden die een hagiografie over een van deze dictators hadden geschreven gevraagd de hagiografieën van anderen te recenseren, en aangezien alle recensenten anoniem bleven, hadden de meeste TLS-lezers geen idee hoe klein deze klasse van appeasement-isten eigenlijk was.

Tegenwoordig blijven recensenten nog maar sporadisch in de anonimiteit, maar de les uit het verleden blijft van belang: dat het becommentariëren van boeken moet worden overgelaten aan ter zake kundigen lijkt een uitgemaakte zaak, maar toch is dat niet altijd de juiste aanpak. Saaier discussies dan tussen twee mensen die onderling nog een appeltje te schillen hebben, zijn nauwelijks denkbaar. En het selecteren van recensenten uit slechts een klein clubje beroemdheden is een verleiding die men althans af en toe moet weerstaan - slechts een enkeling heeft iets nieuws te melden, en nog minder van hen zijn genegen iets op te steken van het boek dat ze bespreken.

Meer dan drie eeuwen geleden deed Sir Henry Wotton de literaire critici nog af als 'schuiers voor de kleren van edellieden''. Velen zijn het nog steeds met Sir Henry eens. Maar er bestaat een tussenweg: we moeten streven naar zowel een goed stel kleren als een fatsoenlijke schuier. En wat de adel betreft: die is haast verdwenen, behalve, hopelijk, uit de pen van toekomstige recensenten.