De kracht van twee klassieken; Huizinga, Romein en de sociologie

Als cultuursocioloog kun je niet van sociologie alleen leven. Om de eigen cultuur te begrijpen is het nodig die te vergelijken met andere, op het eerste gezicht vreemde culturen. Het is, om de titel van een essaybundel van Jan Romein te gebruiken, de dynamiek van het eender-en-anders. Het ligt dan voor de hand bij de culturele antropologie te rade te gaan.

Aan academische modes binnen zo'n aanpalende discipline hoef je je als buitenstaander niet te storen. Dus toen Lévi-Strauss en diens structuralisme in de mode waren, beging ik doodgemoedereerd de wetenschappelijke faux pas openlijk mijn niet aflatende bewondering voor Bronislaw Malinowski te uiten. Om de zoveel jaar herlees ik diens 'Argonauts of the Western Pacific' (1922) en iedere keer raak ik er weer van in intellectuele vervoering. Onder professionele antropologen, zo werd me te verstaan gegeven, blameer je je met een dergelijke enthousiasme. Het wekt een meewarige glimlach op. Is Malinowski echt passé, of is de mening dat hij dat zou zijn een tijdgebonden modeverschijnsel? Ik houd het nog steeds op het laatste.

De eigen cultuur komt ook scherper in het vizier, indien naar het verleden wordt gekeken. Ik denk dat ik in de afgelopen decennia meer geschiedwerken dan sociologische studies heb gelezen. Ook hier heb ik mijn neus gestoten. Voor mij staat 'Die Kultur der Renaissance' (1860) van Jakob Burckhardt op eenzame hoogte, slechts geëvenaard door Johan Huizinga's 'Herfsttij der Middeleeuwen' (1919).

Niet alleen hun literaraire flair houdt mij in hun ban, ook de daarin neergelegde observaties van menselijke gedachten en gedragingen, maatschappelijke organisaties en culturele instituties vormen een niet opdrogende bron van inspiratie en inzicht. Ik moest echter van verschillende zijden in de academische geschiedwetenschap vernemen dat zij toch de toets der wetenschap niet meer konden doorstaan. Hooguit goed voor de eruditie, maar voor de rest passé. Dit soort boeken staan in de academische geschiedwetenschap, een enkele uitzondering daargelaten, niet meer op de tentamenlijst.

Wat ook niet kan, is Jan Romein serieus nemen. Zijn 'theoretische geschiedenis' is, zo werd me verteld, een fantasmagorie die de historische feiten geweld aandoet. En omdat hij die vanuit een communistische levensbeschouwing bovendien nog met marxismen lardeerde, kan hij gevoegelijk in het intellectuele rariteitenkabinet worden bijgezet. Maar zijn 'Aera van Europa' (1954) en de daarin uitgewerkte (typisch Weberiaanse) theorie van het Algemeen Menselijk Patroon is een schoolvoorbeeld van cultuursociologie. De historici mogen hem hebben afgeschreven, de cultuursocioloog doet er nog steeds zijn voordeel bij hem te lezen en te bestuderen.

Ik geef het toe, culturele antropologie en cultuurgeschiedenis zijn omvangrijke en respectabele disciplines. Als cultuursocioloog neem ik er natuurlijk nogal amateuristisch kennis van. Zoals het een dilettant betaamt, laat je je weinig gelegen liggen aan wat in dergelijke disciplines wetenschappelijk en wat onwetenschappelijk wordt genoemd. Wanneer een antropologische structuralist mij belerend vermaant dat Malinowski's functionalisme volslagen achterhaald is, denk ik er het mijne van en geniet tegen beter methodologisch weten in weer eens van zijn studies over de Trobrianders. Allerlei methodologische en wetenschapstheoretische zwaarwichtigheden laat ik daarbij voor wat ze zijn: oefeningen aan de academische rekstok.

Overigens is het mij opgevallen dat deze (vermeend) moderne (voor)oordelen tegen de eigen 'klassieken' ertoe hebben geleid dat jongere antropologen en historici Malinowski en Huizinga niet meer serieus lezen. Ze hebben tijdens hun studie gehoord dat die weliswaar 'klassiek' doch inmiddels achterhaald zijn. Hooguit worden in een reader - die moordenaar van gedachten en theorieën - brokstukken verorberd, aangevuld met secundaire literatuur, waarin dan uiteengezet wordt dat we het thans beter doen. Het kritisch oordeel blijft dan natuurlijk in de gemeenplaatsen steken.

Maar misschien is ook dat alweer achterhaald. Het kan wensdenken zijn, maar ik meen in de sociale wetenschappen (economie, geschiedenis, antropologie, sociologie, psychologie) een herleving van de 'klassieken' en daarmee ook van de cultuurwetenschappelijke benaderingswijze op te merken - niet als een uit armoede geboren terugkeer naar weleer, doch als een renaissance, als een intellectuele herbronning.

In 1926 maakte Huizinga een reis van twee maanden door Amerika. Hij hield een dagboek bij dat nu door Anton van der Lem is uitgegeven. Kostelijk zijn de vele cultuursociologische observaties, geheel in lijn met zijn eveneens sociologische analyses in 'Mensch en menigte in de Verenigde Staten' (1918) dat hij schreef zonder er geweest te zijn. En wie ontmoette hij op zijn reis? Bronislaw Malinowski. Het klikte meteen tussen die twee.

Samen met L. Hanssen en W.E. Krul redigeerde Van der Lem in drie kloeke banden Huizinga's omvangrijke correspondentie. Huizinga was afkerig van ontboezemingen, toch geven zijn epistels zicht op zijn gecompliceerde persoonlijkheid - uniek autobiografisch materiaal. Kort daarna verscheen Van der Lems Huizinga-biografie die het verbrokkelde beeld dat door brieven nu eenmaal gegeven wordt, completeert. Van der Lems dissertatie over het werk van Huizinga is inmiddels aangekondigd. De cultuursocioloog wacht daar met reikhalzend verlangen op!

Al deze literatuur spoorde me aan de belangrijkste werken van Huizinga te herlezen. Vreemd genoeg - maar waarschijnlijk is het helemaal niet vreemd - haal ik er dan ook altijd Romein weer bij. Wat ik bij de één mis, vind ik bij de ander. Een onvergeeflijk cliché, maar ik kan er niet omheen: Huizinga is apollinisch en wat belegen, Romein dionysisch en behoorlijk puberaal. Ze vullen elkaar daarmee prachtig aan en juist de vereniging van hun contrasten levert een eigentijds, modern beeld op.

Huizinga is van de twee de estheet, de literator, de conservatief. De beelden die hij methodisch bewust oproept, het archaische, vaak geraffineerde taalgebruik, de gedachten die met zorg worden geformuleerd, het dédain voor de actualiteit (vooral de politieke actualiteit) en de groeiende afkeer van moderniteit (vooral de dominantie van het materiële en van de techniek) steken schril af bij wat Romein dreef. Diens zinnen zijn vaak kreupel, struikelen over de niet aflatende reflexies en ideeën. Soms zijn de gedachten even plat als de taal en lijkt hij op een geschiedenisleraar die geestelijk minder draagkrachtige pupillen toespreekt. Maar dan ineens komt hij weer tot theorieën die in deze reikwijdte en diepgang bij Huizinga ver te zoeken zijn.

Romein is anders dan Huizinga een politiek dier, verre van conservatief. Hij hangt het communisme aan - zij het met vallen en opstaan. Maar hij is daarin (gelukkig) niet consistent. In zijn wetenschappelijke werk weet hij met het historisch materialisme niet veel aan te vangen. Niet Marx maar Weber is daar zijn grote inspirator - een punt dat door nogal wat historici gemist werd en wordt, omdat ze Weber en vooral diens methodologie niet kennen. In vele opzichten lijkt hij op de Amerikaanse socioloog C. Wright Mills (1916-1962), die ook tussen Marx en Weber heen en weer laveerde - met alle intellectuele onevenwichtigheden van dien.

Wat treft je nou bij een cultuursociologische lezing van 'Herfsttij der Middeleeuwen'? Ik neem met opzet dit boek ter illustratie en niet 'Homo Ludens' (1938) of de genoemde studie over Amerika, waarin de sociologie wat al te gemakkelijk voor het oprapen ligt. De ondertitel van 'Herfsttij' zet de lezer meteen al op het cultuursociologische spoor: het boek gaat over levens- en gedachtenvormen in Frankrijk en de Nederlanden gedurende de 14e en 15e eeuw. Georg Simmel (1858-1918) zou het een fraai voorbeeld genoemd hebben van wat hij zelf ontwierp als een sociologie der vormen.

Betrekkingen tussen mensen - liefde, haat, concurrentie, boven- en onderschikking - kunnen volgens Simmel los van hun inhouden als vormen van leven en denken onderzocht en beschreven worden. Het ridder-ideaal, zo laat Huizinga zien, was zo'n vorm die gaande de tijd andere inhouden heeft gekregen zoniet aangetrokken. Zijn historische waarneming is typisch cultuursociologisch: 'De ridder gaat over in den Fransen gentilhomme der zeventiende eeuw, die nog wel een stel van stands- en eerbegrippen onderhoudt, maar zich niet meer uitgeeft voor een strijder voor het geloof, een verdediger van zwakken en verdrukten. Voor het Franse edelmanstype treedt dat van den gentleman in de plaats, regelrecht ontwikkeld uit den ouden ridder, maar getemperd en verfijnd. Bij de opeenvolgende transformaties van het ideaal liet telkens een buitenste schaal, die leugen geworden was, los.'' In de cultuursociologie staat dit soort transformaties centraal. We komen ze tegen van Alexis de Tocqueville tot Arnold Gehlen en Helmuth Schelsky. Huizinga past nagenoeg naadloos in deze gedachte- en waarnemingswereld.

Zo beschrijft hij in zijn studie over de late Middeleeuwen nauwkeurig wat in de sociologie 'ceremonialisering' of 'ritualisering' wordt genoemd: 'Hier evenwel is het er om te doen de versiering der levensvormen tot een schoon en verheffend spel en de woekering dier vormen tot een hol vertoon te doen blijken. (...) De fraaie vorm kan somtijds de doelmatige handeling geheel op zij dringen.'' Vormen, zo laat Huizinga zien, kunnen langer voortduren dan de maatschappelijke infrastructuur die erbij hoort: 'dat de adellijke levensvorm zijn heerschappij over de samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke structuur zijn overheersende betekenis verloren had.'

Het gevaar van abstract formalisme ligt hier op de loer. Evenals Simmel ontkwam Huizinga daaraan door aan de ene kant de vormen steeds sociologisch in hun concrete maatschappelijke context (die van de standenstructuur) te plaatsen en aan de andere kant tal van illustratieve details op te dissen die de dynamiek van de verandering aanschouwelijk maken. Zijn boek lijkt daarom op een plaatjesboek, maar is veel meer dan dat: de plaatjes vertellen het verhaal van de transformatie van de maatschappij.

Huizinga wilde het verleden zelf laten spreken, hield niet van anachronismen ('het verleden door de bril van het heden bezien'). Maar hij doet, heel sociologisch alweer, wel het omgekeerde: voortdurend wijst hij erop hoe die maatschappij en cultuur van vijf eeuwen geleden verschilt en af en toe toch ook weer lijkt op de onze.

In het laatste hoofdstuk rept Huizinga heel ketters van 'die onvermijdelijke eenzijdigheid, zonder welke geen historisch oordeel tot stand kan komen''. Die eenzijdigheid komen we bij Romein sterker tegen dan bij hem. Hij is er tijdens en na zijn leven voldoende over gekapitteld. Het is voldoende Pieter Geyl er nog eens op na te lezen.

Veel van de argumenten tegen Romein snijden wetenschappelijk hout en toch is hij voor mij als cultuursocioloog één van die klassieken gebleven op wiens schouders je gaat staan om verder en dus beter te kunnen kijken. Een theorema als 'de dialectiek van de verandering' - dat verrukkelijk eenvoudige en toch diepzinnige schema 'A-Ab-Ba-B' - was voor mij een ontdekking toen ik mijn dissertatie over institutionalisering schreef. Ook het theorema over het Algemeen Menselijke Patroon - door Romein ironisch afgekort als AMP - heeft me geholpen om het proces van de modernisering theoretisch te begrijpen. Overigens was het in Amerika dat ik er op attent gemaakt werd: 'Tell me more about Romein. His theory of the Common Human Pattern has heuristic pizazz!'' Ik heb maar niet verteld dat je er in Holland niet goed mee voor de dag kunt komen.

'Aera van Europa', waaraan colleges in Indonesië gegeven ten grondslag liggen, werkt de gedachte van een algemeen menselijk cultuurpatroon, waarvan eerst Europa en dan Noord-Amerika is gaan afwijken, in grote streken uit. In een lezing voor Utrechtse studenten (13 mei 1955) wordt een methodologische uitleg en rechtvaardiging van het AMP-theorema gegeven. Het daaruit voortgekomen essay had zo uit de pen van Weber kunnen komen, afgezien van de helderheid en de eenvoud die doorgaans in Webers methodologische geschriften ver te zoeken zijn.

Historici en antropologen hebben bij gebrek aan inzicht in diens neo-kantianisme doorgaans geen antenne voor de 'Idealtypen' van Max Weber. Meestal wordt niet begrepen dat 'ideal' betekent: 'geconstrueerd', 'analytisch' en juist niet 'zo zou ik willen dat het was'. Vele historici en antropologen zien ook 'Idealtypen' als gebrekkige plaatjes van de werkelijkheid en zetten vervolgens met het aandragen van talloze details de aanval in. Dat is ook Romein overkomen.

Hij tracht in deze belangrijke lezing duidelijk te maken dat het AMP een 'idealtypische' en dus kunstmatige constructie is met behulp waarvan de complexiteit van de werkelijkheid theoretisch gereduceerd en geduid kan worden: 'Een ideaal-typische theorie is als een magneet, met behulp waarvan men de in een bepaalde samenhang relevante feiten uit de chaos van het historisch gebeuren losmaakt.'' Romein weet ook dat dergelijke theorieën problematisch zijn: het is nooit van tevoren vast te stellen of ze vruchtbaar zullen zijn dan wel abstracte hersenschimmen zullen blijven. De enige toets, zo zegt hij pragmatisch, is er mee te werken.

Evenals bij Weber en Huizinga is de uiteindelijke vraag bij Romein niet 'is de theorie waar?' maar 'geeft de theorie meer inzicht?' Verificatie dan wel falsificatie met andere woorden ligt verankerd in heuristische nuttigheid. Niet het voortdurende opdissen van feiten en details, maar beelden en verhalen, gefundeerd op en bijeengehouden door 'Idealtypen' kunnen helpen het inzicht in wat eender en anders is te vergroten. Feiten en details zijn daarbij van eminent belang, maar meer als illustraties dan als funderingen voor de verificatie of de falsificatie. Dit past natuurlijk helemaal niet in het historisch materialisme en is een steen des aanstoots voor iedere rechtgeaarde positivist.

Bij Huizinga is dit Weberiaanse uitgangspunt, afgezien van zijn Groningse oratie uit 1905 die geen voortgaande invloed op zijn verdere werk had, impliciet gebleven. Romein maakte dit in zijn theoretische geschiedenis expliciet. Ondanks zijn vele tekortkomingen blijft dat zijn meerwaarde ten opzichte van zijn grote voorganger. Ik weet niet wat vakhistorici nu nog met Huizinga en Romein (en ook Burckhardt en Pirenne en anderen) kunnen aanvangen. Ik weet wel dat zij voor de cultuursociologie onmisbare inspiratiebronnen zullen blijven.

Het is in die zin - en dus niet vanuit een ondoordacht vakimperialisme - dat ik deze historici als cultuursociologen lees en waardeer. En hetzelfde geldt voor de meeste culturele antropologen. Wat was ik graag oog- en oorgetuige geweest van die ontmoeting tussen Malinowski en Huizinga in de jaren twintig in Amerika! Dat moet, om Stefan Zweig te parafraseren, een 'Sternstunde der Kulturwissenschaft' geweest zijn.