Andreas Sinakowski (1960) vluchtte in 1985 van ...

Andreas Sinakowski (1960) vluchtte in 1985 van Oost- naar West-Berlijn en gaf zich daar vrijwillig aan als ex-Stasispion. In 1991 publiceerde hij de autobiografische roman 'Das Verhör' (vertaald als: 'Na een lang rokend zwijgen'), waarin hij de omstandigheden beschrijft die hem hiertoe brachten. Het afgelopen jaar voerde hij een levendige correspondentie met Gerard Reve. Sinakowski's zijde van deze correspondentie verscheen deze week onder de titel 'Het wit in het oog van de tijger'.

Vrijdag 26 november

'Die ruilen ze nooit'', zegt hij, 'je hebt die schoenen op straat aan gehad en dat zie je meteen aan de zolen.'' Ik heb het goedkope paar gekocht en niet de dure, en dat kun je zien, denk ik. Daarom loop ik naar de kraan en probeer ze met water schoon te maken, maar het leer raakt lelijk gevlekt, terwijl buiten de sneeuw valt en binnen ook alles slechter wordt. Morgen moet ik naar Nederland en overmorgen ben ik jarig...

Maar goed, denk ik, morgen moet ik het dagboek inleveren en het moet ook nog vertaald worden, want in werkelijkheid is het al woensdag 1 december. Doorschrijven, denk ik, en precies op dat moment steekt mijn uitgever zijn hoofd om de deur, want ik ben niet in Berlijn maar op het Singel.

'Ik heb het Goetheinstituut voor je...''

'Geef ze maar...'', antwoord ik.

'Goetheinstituut... ik heb gehoord dat u het Hollands Dagboek schrijft, dus heel kort: kunt u in maart bij ons een lezing houden?''

Vooruit, denk ik, op de een of andere manier moet ik terug naar Berlijn, vrijdag de 26ste. Op de Kurfurstendamm komt een auto aanrijden, hij botst zachtjes tegen mijn knie. Achter het stuur zit een stokoude man met een leren hoedje waarop een gemsenharen kwast heen en weer danst. Hij grijnst, geeft weer gas en duwt mij voor zich uit. Fout geweest in de oorlog, denk ik, en ik begin te schreeuwen.

'Dat heb ik gisteren toch al gezegd'', antwoordt de verkoopster. 'Die andere schoenen zijn duurder, maar ook beter. Na u kwam een andere klant die ze wilde hebben.'' 'Verdomme'', zeg ik. 'Maar ik heb ze hem niet verkocht'', zegt ze en ik zeg: 'Wat bent u een schat...''

Op de nieuwe schoenen naar huis, en al weer is het te laat. Voor het huis toetert een auto die me komt ophalen voor een lezing in Brandenburg, uitgerekend in het Oosten. We praten en we praten, het wordt later en later. Ik begin te bemiddelen: 'Nee, in het Westen is niet iedereen zo rijk, niet iedereen zo arrogant, en in het Oosten niet iedereen zo arm en een beter mens.'' 'Maar hier heeft niemand werk'' zegt een vrouw en een ander zegt: 'Mijn zoon is skinhead.'' Dat is de oorlog. Amper hadden we de Tweede achter de rug, of de Koude viel in en toen die voorbij was, begon een nog koudere, en volgend jaar stemmen ze zwart, rood en bruin en breekt er een nieuwe oorlog uit. Om drie uur 's nachts ben ik terug in Berlijn.

Zaterdag

Het sneeuwt en wit ligt de stad in diepe rust. In de keuken maak ik een 'sandwich' - dat klinkt als een kuuroord in Nederland. 'Ben je thuis'' vraagt mijn vriend en valt weer in slaap. Ik ga naast hem liggen, slaap een uur tot de wekker afgaat. Mijn lichaam is voortaan van glas, aan alle kanten transparant.

Koffie, een blik uit het raam, buiten valt de sneeuw, ik bel een taxi, de tassen zijn zwaar en het past niet allemaal in de lift, twee mensen, vier tassen, dus loop ik naar beneden, de taxichauffeur is moe, op het Bahnhof Zoo worden de zwervers wakker, alles baadt in het koude licht, de tegels, de gezichten, ik koop de kranten, koop sigaretten, de verkoopsters ruiken naar zeep, om half zes zet de trein zich in beweging, om zeven uur drinken we koffie in de restauratiewagen, een uur later constateren we dat ons onderkomen alleen nog door de koffiemachine wordt verwarmd en dus wordt het na negenen niet meer warm, en om drie uur, in Amsterdam, zijn we bevroren, kouder dan het Calvinisme.

Verder gaan we, naar Gerrits huis. Het nieuwe boek ligt op tafel, mijn vriend grijpt ernaar en ik voel me beledigd omdat het mijn kindje is en ik als quasi-moeder de eerste wil zijn die het quasi in de armen sluit. 'Als we een kind kopen, is het ook van jou'' zegt mijn vriend. Als troost is er wijn en voor de douche heb ik nog net drie minuten.

Verder gaan we, naar Athenaeum, onderweg word ik duizelig. 'Das Karussell geht immer immer rundherum'' zong Johannes Heesters ooit in Berlijn. Opnieuw zijn zijn memoires verschenen, de Duitsers zijn er dol op, maar hij signeert niet bij Athenaeum en dat bevalt mij.

Naar binnen, ik ben bang, ik ga aan tafel zitten met voor mij de stapels, ik denk: 'Mijn God, zoveel als Heesters verkoop ik er nooit... maar een Bulgaars kind kost bijna dertigduizend, en naast mij staat mijn vriend, dus doe ik mijn best. Het boek verkoopt niet slecht, en hoe beter de omzet hoe gieriger ik word. Dertigduizend, denk ik, voor zo'n blaag; tienduizend zou ik er nog voor geven. De eerste stapels zijn al lang op. Eigenlijk is vijfduizend voor zo'n baby nog te veel - de luiers, de schoenen, de flessen. Weg met de baby. Een auto misschien, of een huis waarvan de deuren altijd dicht kunnen als je dat wil, want hier bij Athenaeum staan de deuren wijd open en mijn handen zijn verstijfd. 'God wat is het koud'' zeg ik. 'Kouder dan in de bunkers van de Stasi?'' vraagt een vrouw van Athenaeum. Dat is precies waar ik bang voor was, en waar ik op heb zitten wachten.

Ze geeft me een nieuwe stapel. 'Dit zijn verzoeken om een handtekening.'' Het wordt steeds kouder, de hand stijver maar opeens wordt het aangenaam en lekker warm. 'Voor Thom Hoffman?'' vraag ik. 'De acteur?'' Ze knikt, en ik voel me vereerd. Ik herinner me hoe ik vorig jaar met Ted van Lieshout zat te praten, het schemerde al en een vaal licht viel over onze glazen. Hij zei: 'Toen jij klein was, luisterde niemand naar je. Nu luisteren ze allemaal.'' Destijds, toen ik zeven was en alleen door de stoffige straten aan de rand van Berlijn liep en mijn snikken wegslikte omdat er voor mij kleuren noch woorden, taal noch schoonheid bestond, toen heb ik mezelf bezworen dat ik ooit aan dit getto zou ontsnappen om die mensen te ontmoeten die weten dat de mens alleen een mens is als hij door andere mensen ook als mens behandeld wordt. Thom Hoffman is er zo een. Zijn kunst, zijn stem, zijn spel getuigen van liefde voor de mens.

Zondag

Wat mij kort na middernacht plezier doet: 1. dat ik vlak voor middernacht Adrianus Franciscus Theodorus van der Heijden heb ontmoet, 2. dat Gerrit Bussink en mijn vriend nu van hun stoel opstaan, mij 3. omarmen om mij 4. met mijn verjaardag te feliciteren, wat natuurlijk alleen mogelijk is omdat ik 5. nog steeds besta. Alsof het nog niet genoeg is, zijn er 6. cadeaus, dingen waarvoor je niet hoeft te betalen en die je toch krijgt, zonder ze te stelen.

Tegen de middag staan we op. Na een overvloedig ontbijt dringt de gedachte aan het Hollands Dagboek zich op. Nog geen regel geschreven. Het aangename bericht is dat ik mijn feest vanavond niet hoef te verlaten om naar Hilversum te gaan. Het interview voor 'Het oog op morgen' is om vier uur in Amsterdam. Terwijl ik dit hoor, denk ik aan mijn twintigste verjaardag, toen mijn 13-jarige teckel zo heftig ziek werd dat ik hem naar de dierenarts sleepte en hem liet afmaken. En plotseling voel ik me verbonden met Margaretha van Denemarken, die in de afgelopen weken afscheid moest nemen van haar teckel (genaamd de Rijksrat). Ik voel me Duits, ik voel me schuldig. Hoe kan ik feestvieren als anderen treuren? Om vier uur ga ik naar de studio. John Jansen van Galen wenst me geluk en dan zegt hij: 'Drieëndertig, een gevaarlijke leeftijd.'' 'Hoezo?'' vraag ik. 'Dat is de leeftijd waarop Jezus stierf...''

Als we thuis komen, zijn de eerste gasten al gearriveerd. Joost Nijssens vriendin, met kind Jacob en kind Luc. 'We ontvoeren ze'', fluistert mijn vriend. De vriendin van Gerrit met kinderen. Even later verschijnt A.F.Th. van der Heijden met Mirjam en het beeldschone kind Tonio. Kind Luc is ongeveer 2, kind Tonio al 5 1/2. 'We nemen Tonio'' fluister ik, 'hij is handiger dan Luc, hij plast niet meer in zijn broek.'' Joost Nijssen en Gerrit Bussink raden onze duistere gedachten en leiden mij middels een verjaarstaart af. 'Uitblazen, uitblazen'' is het parool. Ik doe een poging, maar niet één kaars wil doven. Daarna houdt Joost een toespraak, de eerste keer dat een uitgever dat voor mij doet. Omdat hij een praktisch ingesteld mens is, geeft hij mij een prachtig geciseleerde zakflacon cadeau waarin 'Spirit of St. Louis' is gegraveerd. Ik denk aan de Lindbergh-baby.

Tegen middernacht wordt het echt gezellig. A.F.Th. van der Heijden is 1. intelligent, 2. charmant en 3. beide tegelijk. Zuipen is geen kunst, maar drinken moet je leren. A.F.Th. van der Heijden kan drinken. De koelkast baart ijskoude wodka, en na een paar glazen wordt mij verteld dat de teckel van Harry Mulisch 'Schlumpi' heet.

Maandag

Op de 29ste november wordt het programma werkelijk serieus. 's Middags maak ik met Jo in het Paleis een afspraak. Hij nodigt me uit voor zijn show in Brussel. 's Avonds staat mij een interview met Ischa Meijer te wachten en Jo vraagt of ik bang ben. 'De Groene heeft hem de pitbull onder de interviewers genoemd'' zeg ik, 'niet bepaald vertrouwenwekkend.'' We nemen afscheid en ik ga terug naar de uitgeverij.

Tien minuten later gaat de telefoon en krijg ik een voorproefje van de grachtengordel tam-tam. 'Je bent bang voor het gesprek'' zegt Ischa Meijer. 'Van wie heb je dat gehoord?'' 'Waarom ben je bang?'' vraagt hij, en hij brengt me terug in de realiteit. 'Je hebt gelijk'' zeg ik. 'Zie je wel'', zegt hij, 'ik neem een boek voor je mee.'' 'Vorig jaar had ik geen tijd meer om je te zien, maar dit keer neem ik mijn vrienden mee.'' 'En na afloop drinken we whisky'', zegt hij, 'dat wordt gesellig.''

In de interviews deze week heb ik de opheldering een belangrijk bestanddeel van mijn literaire werk genoemd. Ik heb gezegd dat we meer kunnen verklaren dan wij vaak voor lief houden. Maar Ischa Meijer, die me vanavond om acht uur in Hilversum begroette, stelde me voor de uitdaging om mijn woorden ook waar te maken. Tijdens de deportatie van de Nederlandse joden lag hij, een zuigeling nog, naakt op een brug ('Daar lag je en een Duitser had zijn voet al op je buik gezet'' citeert hij zijn moeder in zijn 'Brief' aan haar). Wie dit inferno meemaakte, overleefde en er vooral over nadacht, die ontleent er een energie aan die net zo onvoorstelbaar is als de belevenis zelf en de kracht die het kostte om het te overwinnen. Ischa Meijer overwon het kamp van de pijn - waarin hij lang opgesloten moet hebben gezeten - om nu zijn publiek met ongekende kracht te shockeren of te betoveren. Zijn energie, gepaard aan een analytisch verstand, legt bij veel van zijn gasten hun complexen en neurosen bloot. Ook bij mij.

Een jaar eerder zou ook dit gesprek op een schandaal zijn uitgelopen. Maar na anderhalf jaar psychoanalyse wist ik nu al vòòr het gesprek hoe dwaas het zou zijn mij naast hem klein en onbelangrijk te voelen. Ik vertrouwde hem en beschouwde hem niet als vijand, omdat ik mijn gevoelens en de oorzaken daarvan doorzag. Met genoegen liet ik me weer eens met mijzelf confronteren en de avond werd betoverend. We reden samen naar Amsterdam terug. Hij duwde chocolade in mijn mond. We gingen naar een kroeg en toen we eenmaal genoeg gedronken hadden, hebben we obscene liederen gezongen... van Kurt Weill.

Dinsdag

Joost, Fiet, Adri, Mirjam en Thea hebben hun kinderen en hun fietsen voor mij in veiligheid gebracht, dus ga ik interviews geven. Om half twaalf tref ik Leonore van Prooijen. Onze wederzijdse sympathie is niet verminderd. Om twee uur heb ik een afspraak met Ingrid Hoogervorst van De Telegraaf. We gaan naar Scheltema en binnen de kortste keren zijn we aangeland bij Adorno, Habermas en Marcuse. Het wordt laat en met tegenzin houden we op. Zij gaat naar de wc. Ik ga naar de andere wc en als we bij onze tafel terugkomen blijkt haar tas gestolen. Ze is bijna in tranen en ik sla een arm om haar heen.

'Mijn creditkaarten'', zegt ze, 'mijn geld, mijn sleutels, maar dat ook nog mijn lippenstift van Guerlain er in zat!'' 'Wat te doen?'' sprak Zeus, 'de goden zijn dronken.'' Ik vraag of ze mee gaat naar Bussink, om een glas te nemen op de schrik. Dan komt ook Vincent Mentzel. Meestal vind ik foto's zo lelijk dat ik ze op de deur van de kelder plak, zodat de ratten van de aardappels afblijven. 'Voor ze worden gepubliceerd, wil ik ze zien'' zeg ik. 'Dat doe ik nooit, niet eens bij de koningin'' zegt hij, maar omdat de klemtoon ligt op het woord ik, is dat een antwoord voor mij.

Donderdag 2 december

Ik wil niet nog een keer beginnen, ik wil ervan genieten want het was heerlijk. Woensdag en donderdag heb ik interviews gegeven. Allemaal verschillend, iedereen stelde andere vragen en dat was plezierig. Woensdagavond ben ik naar Haarlem geweest om ook daar te signeren. Ik werd begroet, onthaald en iemand gaf me een brief. 'In tijden van nood'' bood hij me een baan aan, 'wat u ook verlangt'', maar daarvoor ben ik onderhand te duur, zo rijk is hij niet. Diep in mijn hart hoopte ik op sneeuw in Amsterdam, het maakte de stad tot een sprookje en ik keek naar buiten. De laatste nacht, tussen 01.00 uur en 13.00 uur, schreef ik het dagboek.

Donderdag 2 december, 14.10 uur: 'Jouw Nederlands is beter dan dat van Bernhard en Claus'' zegt een vriend. 'Dat hoor ik altijd. Bernhard, Claus en Sinakowski.'' 'De eerste is corrupt, de tweede ziek en de derde pervers.'' 'Tja, zo zijn de Duitsers'' zeg ik en wij lachen en omhelzen elkaar. Jullie allen hebben mij veel geschonken, ik voel me thuis, wees bedankt.