Ad Latijnhouwers, voorzitter NCB, over opkomst en verval van het Groene Front; Het mestcomplot

Hij komt minder op de televisie dan de minister van landbouw of milieu, maar de recente geschiedenis heeft uitgewezen dat zijn invloed op het beleid vaak groter was dan die van Haagse bewindslieden: Ad Latijnhouwers, voorzitter van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond. Een gesprek over opkomst en verval van het Groene Front, financiële steun aan het CDA, over de onzekere toekomst van het Landbouwschap en over het deze week verschenen boek 'Mest en Macht', waarin wordt beschreven hoe het Groene Front de overheid jarenlang om zijn vingers wond: 'Ik schrok wel van dat boekwerk. Er staat zo'n beetje mijn levensverhaal in!'

Het was een interessant gezelschap dat de middag van 15 maart zijn opwachting maakte in het 'Torentje', het werkvertrek van minister-president Lubbers. Op de agenda van de premier stond een vertrouwelijke bijeenkomst over het mestprobleem. Herman Wijffels, topman van de Rabobank, was er speciaal voor naar Den Haag gekomen. Minister van landbouw Piet Bukman was present, net als CDA-voorzitter Wim van Velzen en de landbouwspecialist van de christendemocraten in de Tweede Kamer, Jan van Noord.

Kortom: de mannen met macht in de landbouw waren bijeen. En in dat geval moest er nog iemand zijn. Een minder bekende, maar niettemin centrale figuur in dit métier: Ad Latijnhouwers, voorzitter van de NCB, de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond.

Hoe kwam u bij dat overleg terecht?

Latijnhouwers: 'Ik wéét het niet precies. Op een gegeven moment kreeg ik een uitnodiging om eens wat te rapporteren. Ik vermoed dat het via een paar CDA-kanalen is gelopen.''

Via partijvoorzitter Van Velzen?

'Nou ja, die is voorzitter van het CDA-Brabant geweest. Daar kwam ik hem wel eens tegen. Maar of hij mij uitnodigde? Misschien wil ik dat wel niet zeggen. Er zaten àllemaal partijgenoten. Toevallig! Het was een informeel overleg. Ik kan nu wel volhouden dat ik niet meer weet wat we besproken hebben, maar dat is niet zo. Ik zèg er gewoon niets over.''

U zou het beter vinden als het niet in de krant komt?

'Eigenlijk wel. Het moet mogelijk zijn dat een minister of premier eens de mogelijkheid heeft te horen wat er in de wereld te koop is zonder dat de pers meeluistert. Dat is een goede zaak.''

Maar waarom nodigde men speciaal u uit?

Hij is oprecht bescheiden: 'Misschien wel omdat ik zoveel functies heb.''

Ir. Ad Latijnhouwers (57) is een van de meest fascinerende figuren in het bloeiende maatschappelijk middenveld. Met als uitvalsbasis de NCB, de in Tilburg gevestigde standsorganisatie waarbij 26.000, dat wil zeggen zo'n tachtig procent van de zuidelijke boeren, is aangesloten, heeft hij zich de laatste vijftien jaar via tientallen functies (zie kader) een ijzeren positie verworven in het netwerk van christendemocratie, Rabobank en landbouw. Zijn hoge status in de periferie van de macht is niet onopgemerkt gebleven, maar nog nooit werd deze zo uitgebreid en gedetailleerd in kaart gebracht als in het boek Mest en Macht dat de Wageningse socioloog Jaap Frouws deze week publiceerde. 'Ik schrok van dat boekwerk'', zegt Latijnhouwers, wiens achteloos-nuchtere houding een frappante gelijkenis vertoont met die van oud-CDA-minister Jan de Koning. 'Er staat zo'n beetje mijn levensverhaal in!''

Talrijk zijn in het boek de beschrijvingen over de wijze waarop de NCB voorgenomen Haags (milieu)beleid wist af te zwakken dan wel te traineren, in samenwerking met wisselende coalitiepartners als het Landbouwschap, het ministerie van landbouw en het CDA. Het proefschrift geeft daarmee een scherp inzicht hoe de bestuursvariant van 'gespreide verantwoordelijkheid' in de praktijk kan werken. De populaire christendemocratische gedachte dat maatschappelijke organisaties zoveel mogelijk betrokken moeten zijn bij de Haagse ontwikkeling van beleid om voldoende 'draagvlak' te creëren, heeft immers, zo blijkt in dit geval, ook een keerzijde: het kan er toe leiden dat beleid onnodig lang uitblijft.

Zo is het althans met het mestprobleem gegaan. De stille machtsuitoefening van het 'Groene Front' had als gevolg dat tussen 1970 en 1985 geen milieubeleid rond het mestprobleem werd gevoerd. Interne waarschuwingen op het ministerie en in het Landbouwschap werden in die periode ten onrechte genegeerd, stelde de Algemene Rekenkamer later vast. En in de jaren die erop volgden, tot 1990, werd voorgenomen beleid door het 'Groene Front' voortdurend gefrustreerd - waarbij de NCB en Latijnhouwers een cruciale rol vervulden.

Maar de landbouwlobby stuitte in de jaren negentig op de grenzen van zijn macht. Een scherp milieubeleid viel niet langer tegen te houden. De voormannen van de landbouw, ook Latijnhouwers, namen volgens het concept van de gespreide verantwoordelijkheid deel aan het overleg waarin het nieuwe beleid met de overheid werd afgesproken. Over de resultaten waren de boeren woedend: op de overheid, maar ook op hun voormannen. Het corporatistische model kraakte in zijn voegen: Latijnhouwers werd enkele weken geleden op een actiebijeenkomst van 9.000 boeren in Den Bosch uitgejoeld.

De NCB-voorzitter: 'Dat gejoel ging me toch wel een beetje door mijn ziel, maar aan de andere kant weet je dat het bij acties altijd nogal opgewonden toegaat. Er wordt zo vaak gezegd dat ik machtig ben, maar de laatste tijd heb ik meer te maken met onmacht.''

Volgens Frouws komt dat omdat u met het Groene Front te lang op de rem heeft gestaan. Had u eerder geluisterd naar de signalen van uw eigen deskundigen, dan was de klap nu niet zo hard aangekomen.

'Vergeet niet dat de veehouderij in de jaren zeventig alleen maar kon groeien omdat er voor de produkten ook afzet was. Tegelijk valt niet te ontkennen dat het mestprobleem nu groter is door de aanhoudende groei. Dus ik ga een stuk met Frouws stelling mee. Zeker als je het vanuit het milieu bekijkt. Maar indertijd konden we ons dit soort problemen niet voorstellen. Er kwam dan wel eens een onderzoeker met het verhaal dat het milieu werd bedreigd, maar ja, die kreeg natuurlijk niet meteen gelijk. Ik vind dat niet zo gek.''

Konden die waarschuwingen ook makkelijk genegeerd werden omdat het Groene Front zo naar binnen gekeerd was?

'Daar zit iets in. Tot tien jaar geleden leefde de boer in een eigen wereld, afgezonderd van de rest van de samenleving. Dat is nu anders.''

Toen Latijnhouwers aan het eind van de jaren vijftig ging studeren aan de Landbouwhogeschool in Wageningen, was Gerrit Braks een van mijn jaargenoten. 'We waren allebei boerenzoon, ik kwam uit Best, hij uit Odiliapeel. Jongens als wij gingen normaal niet naar een universiteit. Maar we konden goed leren. De HBS in Eindhoven haalde ik met bijna een acht gemiddeld. Daarop werd ik bij de landbouwconsulent geroepen, in die tijd was dat Pierre Lardinois (de latere minister van landbouw en Rabo-topman, red.). Hij zei: je moet naar Wageningen. Zo had hij het ook tegen Gerrit gezegd. We werden allebei door Lardinois gecoacht.

'Thuis hadden we een klein, gemengd boerenbedrijf. Tien hectare grond. Op het hoogtepunt hadden we vijftig varkens, toen waren we de grootste van de straat. We hadden ook kippen, aardappelen en suikerbieten. En zo'n zwaar Belgisch paard, in de tijd dat er nog geen tractoren waren. Het leven was sober, zeker in de oorlog. Echte armoede kenden we niet.

'Ons gezin telde elf kinderen, ik was de tweede, de oudste jongen. In een groot gezin leer je verantwoordelijkheid voor anderen nemen. Tegelijk moet je jezelf redden. Initiatiefrijk zijn, iets voor anderen willen betekenen, besturen. Mijn vader zat jarenlang in het bestuur van de Boerenleenbank.''

Hoe kwam u bij de NCB terecht?

'Na mijn studie werkte ik bij de landbouwvoorlichting. Ik zat er drie jaar toen de secretaris van de NCB belde. Zijn adjunct ging weg, dat was Gerrit Braks - of ik hem wilde opvolgen. Dat deed ik graag. De NCB timmerde aan de weg. Ik keek er van huis uit tegenop. En het werk beviel me. Het ging de landbouw in die tijd - eind jaren zestig - voor de wind. Van 'het milieu' hadden we nog nooit gehoord, we kenden geen superheffing of mestboekhouding. Er was wel eens een demonstratie, maar dat was dan omdat we vonden dat de prijzen met acht-komma-zes in plaats van met vier procent moesten stijgen.''

Nadat de landbouw, en zeker de Brabantse intensieve veehouderij, in de jaren zeventig excessief begon te groeien, kwamen zowel Latijnhouwers als Braks op een cruciale functie terecht. Braks werd in 1980 minister, Latijnhouwers schopte het een jaar later tot voorzitter van de NCB. De twee boerenzonen waren aan het hoofd van een wereldmacht terechtgekomen: de Nederlandse landbouw. Uit het boek van Frouws blijkt dat ze elkaar goed in het oog hielden. Toen Braks in 1983 een commissie instelde die de aard en omvang van het gegroeide mestoverschot in kaart moest brengen, benoemde hij Latijnhouwers tot voorzitter. Het rapport dat nog hetzelfde jaar werd gepubliceerd, relativeerde de omvang van het probleem in hoge mate. Latijnhouwers: 'Ons stuk stelde dat het overschot vrij klein was. Het was een te overzien probleem, dat vrij gemakkelijk kon worden weggewerkt.''

Dat moet een misverstand zijn geweest. Want nog geen twaalf maanden later publiceerde dezelfde Braks, samen met zijn toenmalige collega Winsemius van milieu, een Interimwet die een uitbreiding van veehouderijbedrijven met onmiddellijke ingang verbood. De beide bewindslieden stelden dat de aantasting van het milieu door toedoen van mest zulke dramatische vormen aannam dat zo'n ingreep gerechtvaardigd was. Latijnhouwers reageerde woest. 'Dit is een overval!'', zei hij.

En daarna begon het echte spel. Vanaf dat moment ging het 'Groene Front' pas op volle toeren draaien. Binnen de kortste keren hadden organisaties als de NCB 'gaten' in de wet gevonden die een uitbreiding met tientallen procenten van de aantallen varkens en kippen nog altijd mogelijk maakte. 'Den Haag' reageerde door het treffen van extra maatregelen, maar ook die - bijvoorbeeld de introductie van een mestboekhouding - sorteerden niet het gewenste effect.

Medewerkers van het ministerie van landbouw waren het 'Groene Front' bij een en ander behulpzaam. Zo geeft een topambtenaar van het ministerie van milieu in Mest en Macht aan hoe een aanvankelijk plan voor de introductie van een mestboekhouding na overleg met Landbouw 'met opzet'' zodanig werd aangepast dat er een 'niet waterdichte'' regeling tot stand kwam. Op zulke manieren werd volgens de topambtenaar 'voortdurend geprobeerd werkelijke controle af te houden'', zodat de groei vrolijk voort kon gaan.

Het ging in deze gevallen vrijwel altijd om gecoördineerde acties, waarbij het 'Groene Front' in al zijn geledingen werd ingezet. Van het ministerie in Den Haag via het Landbouwschap tot plaatselijke afdelingen van NCB en CDA - ze werden allemaal gebruikt om de veehouderij tot steun te zijn.

Een treffend voorbeeld in Mest en Macht is de wijze waarop in 1988 werd omgegaan met twaalf ernstig verzuurde Brabantse gemeenten die op grond van een wettelijke bepaling een beleid hadden opgezet om uitbreiding en nieuwvestiging van veehouderijbedrijven te voorkomen. Dat beleid was nog geen tien dagen bekend, zo blijkt uit vertrouwelijke documenten, toen er al geheim overleg plaats had op het ministerie van landbouw. De hoogste mestambtenaar, directeur-generaal Van der Lely, zat erbij aan, en samen met medewerkers van Landbouwschap en NCB werd een strategie ontworpen om het kwaad te keren. Men besloot op basis van een op het NCB-hoofdkantoor ontwikkelde onderhandelingsnotitie overleg te voeren met plaatselijke politici, ambtenaren en andere beslissers. Het gevolg was dat in vrijwel alle twaalf gemeenten het beleid, dat soms al was neergelegd in een voorstel van college van B en W aan de raad, alsnog werd ingetrokken. In bijvoorbeeld de Brabantse plaats Veghel trok het college van B en W zijn voorstel in nadat de lokale CDA-voorzitter een notitie schreef voor de CDA-fractie in de raad. De man was tegelijkertijd plaatselijk NCB-voorzitter.

Latijnhouwers bloost als hem de kwestie wordt voorgelegd. Andere keren, als hem het vuur aan de schenen wordt gelegd, pakt hij met beide handen krampachtig de leuningen van de stoel vast: 'Wij hebben nu eenmaal onze rol. Wij zetten er ons voor in dat zoveel mogelijk veehouders overleven.''

Moet uw rol zover gaan dat overheidsbeleid wordt getraineerd?

'Wij hebben niet getraineerd, wij wilden alleen een andere inhoud aan het beleid geven. Onze rol is niet zozeer het voeren van milieubeleid. Wij zagen dat veehouders werden bedreigd. Dan zijn wij eventueel bereid een andere invulling aan overheidsbeleid te geven dan de overheid zelf bedoelt. Er was ruimte bij de gemeenten, dat is gebleken. Die hebben we gebruikt. Zo hoort een goede standsorganisatie dat te doen.''

Dan blijkt hoe goed uw organisatie functioneert. En hoe machtig u bent.

'Ja. In dit specifieke geval.''

Er zijn echter meer specifieke gevallen. Zo lanceerde het provinciebestuur van Noord-Brabant vorig jaar een 'streekplan' dat beoogde een deel van de provinciale grond uit milieu-overwegingen te bestemmen tot 'natuurgebied'. Enkele boerenbedrijven werden hierdoor in hun mogelijkheden beperkt en zelfs met sluiting bedreigd. Een boerenactiegroep roerde de trom, Latijnhouwers was bij de manifestaties steeds prominent aanwezig en het college van gedeputeerde staten zag zich genoodzaakt het streekplan, hoewel het al aan provinciale staten was voorgelegd, na overleg met de NCB zo te wijzigen dat geen enkele boer door toedoen van provinciaal milieubeleid zijn bedrijf moet sluiten. Latijnhouwers: 'Het is heel goed als de overheid naar ons luistert. Dat is vorig jaar uitstekend gelukt.''

In 1989 kwam de NCB in het nieuws omdat u financiële steun had toegezegd aan het CDA-Brabant, dat de provinciale politiek domineert. Waarom zag u daar brood in?

'In ieder geval niet omdat we daarmee bepaald beleid zouden kunnen afdwingen. Wij geven subsidies aan allerlei instellingen. Zonder eisen. We vinden het CDA een constructieve partij die we graag steunen. Het is een partij die luistert naar de argumenten van de agrarische wereld. Door zo'n partij kan Brabant een sterke boerenstand houden. Dat is het wezenlijke aan de zaak.''

U bent CDA-lid. Heeft dat ook een strategisch belang?

'In Brabant wel, ja. We hebben een goede relatie met het CDA. Ze hebben ons nu voor de volgende verkiezingen weer geld gevraagd. In het openbaar zelfs. Ik weet nog niet hoe we erop reageren. Giften aan politieke partijen blijken op de samenleving niet goed over te komen. Persoonlijk zeg ik, net als het CDA, dat het duidelijk is dat wij in bepaalde opzichten op één lijn zitten. Zo bekeken is het helemaal niet merkwaardig dat wij die partij financieel steunen. Maar er is nog geen besluit. We moeten het maar eens in het bestuur bespreken.''

Toen Latijnhouwers op 15 maart van dit jaar op het Torentje werd genood om zich met de premier over het mestbeleid te buigen, was er al langere tijd vooroverleg gaande tussen de overheid en het Landbouwschap over de zogeheten 'derde fase' in de aanpak van het mestoverschot. Dat overleg liep stroef. De ministers Bukman (landbouw) en Alders (milieu) hielden de georganiseerde landbouw voor dat eerder geformuleerde milieudoelstellingen niet waren gehaald en zij eisten een verdere verscherping van het beleid.

Uiteindelijk werd in de nacht van 13 mei een akkoord bereikt. Latijnhouwers was erbij aanwezig - dit keer in zijn functie als voorzitter van de Landelijke Mestbank, een instituut dat mest van gebieden met een mestoverschot (het zuiden) verplaatst naar gebieden met een mesttekort (het noorden) om zo belasting van het milieu af te zwakken.

Het akkoord, dat op 13 december door de Tweede Kamer wordt besproken, viel buitengewoon slecht bij de boeren. Om die reden werd Latijnhouwers enkele weken geleden door zijn achterban weggehoond. Hij verdedigde zich echter door te stellen dat hij een voorbehoud had gemaakt. Maar de opeenstapeling van functies brak hem dit keer op.

Waarom is uw voorbehoud niet meteen bekend geworden?

'Is gebeurd.''

Waar dan?

'In de krant.''

Dat was achteraf. Maar hebt u het ook in de vergadering met Bukman en Alders gezegd?

'Oh, nee, tóen niet. Kijk, wij hadden een delegatie van het bedrijfsleven. Ik zat daarbij namens de Mestbank. Er lag een concept-akkoord dat in onze delegatie werd besproken. Ik heb de voorzitter van het Landbouwschap op dat moment gezegd: dit kan ik niet aan mijn NCB-achterban verkopen. De voorzitter zei vervolgens: dat is dan jammer, want er is hier een meerderheid die instemt, dus we zeggen ja.''

Vervolgens ging u met de delegatie terug naar de ministers. Waarom hebt u toen niet gezegd dat u een voorbehoud maakte?

'Tja... Dat had misschien gekund. Het hoefde niet, vond ik.''

Kan het dat uw achterban u uitjoelt omdat ze u niet helemaal vertrouwen?

'Maar ik zat er niet als NCB-voorzitter.''

En die subtiliteit is tot al die mensen doorgedrongen?

'Het zou kunnen dat dit niet helemaal is doorgedrongen. Niet iedereen zal het goed begrijpen. Maar formeel is het correct verlopen.''

Het aanwassende protest van de boerenstand brengt een groeiend leger landbouwdeskundigen ertoe de toekomst van het Landbouwschap ter discussie te stellen. Het klassieke model van een ruil tussen de overheid en het bedrijfsleven functioneert niet meer, stelt Frouws in Mest en Macht. Was het lange tijd zo dat de overheid er belang bij had de voormannen uit de landbouw bij het beleid te betrekken om daarmee automatisch steun bij de boeren af te dwingen, de laatste jaren is gebleken dat de overheid door overleg met de voormannen slechts wordt gefrustreerd in haar beleid, terwijl steun bij de boeren niet in het minst wordt verworven. Het systeem is gestikt in haar eigen succes.

Latijnhouwers: 'Ik ben niet zo somber dat ik geen toekomst zie voor het Landbouwschap. Het zal zich moeten aanpassen. We hebben de laatste jaren te veel een afwachtende houding ingenomen. We reageren op de plannen van de overheid, we zouden meer met eigen ideeën moeten komen. Dat beleid hebben we als NCB al ingezet.''

Maar zijn de landbouwvoormannen niet te lang doorgegaan met het nemen van besluiten zonder hun achterban te horen?

'Het is duidelijk dat het paternalisme in de landbouw langer heeft stand gehouden dan elders. En het bestaat nog steeds. Ik hoop ook dat het zo blijft. Een bestuur moet de mogelijkheid hebben zijn achterban te wijzen op het feit dat er méér is dan alleen eigenbelang. Dat is solidariteit, dat voert terug naar ons christelijke uitgangspunt. De coöperatieve gedachte: als we het niet samen doen wordt ieder voor zich uitgebuit - dat is het wezenlijke element.''

Bij de overheid werkte u tot voor enkele jaren samen met Braks. Nu is Bukman minister. Hebt u heimwee naar Braks?

'Ja. Ik kende hem nu eenmaal beter. En het heeft ook iets met de persoon te maken. De stevigheid van Braks' beleid sprak me aan. De manier waarop hij tussen de boeren stond. Hij voelde zich in zijn element als hij boeren tegenkwam die een hekel aan hem hadden. Dan hield hij zijn verhaal en wist hij toch respect af te dwingen. Hij was boer met de boeren.''

Wat is het verschil met Bukman?

'Bukman komt uit de tuinderij, Braks had zelf tussen de varkens gezeten. Het is duidelijk dat Bukman minder betrokken is bij de intensieve veehouderij. Dat blijkt ook uit zijn beleid, ja. Ik zie Bukman ook veel minder dan Braks destijds. Niet dat we geen toegang tot hem hebben. Maar hij is anders. Zijn achtergrond, zijn houding. Hij is ook geen katholiek.''

Bukman wil de volgende periode terugkeren. Wat vindt u?

'De leden van de NCB zouden niet staan juichen, denk ik, als hij terugkomt. Of hij zou een andere weg in moeten slaan. Minder het accent leggen op natuurbeheer, meer op landbouw.''

Zou u minister willen worden?

'Nee. Ik zit hier goed. Ik ben niet zo'n politieke figuur. Ik zie me niet zitten in zo'n gebouw in Den Haag. Dus als Brinkman volgend jaar tijdens de kabinetsformatie belt, zeg ik nee.''

U hebt veel sleutelposities. Maar u straalt het niet uit. Bewust?

'Omdat ik op veel plekken zit, nogal wat mensen ken en al langere tijd meedraai, heb ik, uh, nogal wat invloed. Maar veel minder dan de buitenwereld vaak denkt.''

Is het bij macht niet zo dat je het alleen in stand houdt door niet te hoog van de toren te blazen?

'Ja. Dat is misschien wel zo.''