Wij leven vrij, wij leven blij

In NRC-Handelsblad van (ongeveer) 27 oktober stond het bericht dat tijdens het Kamerdebat over de landbouwbegroting het Kamerlid Janmaat door een ander Kamerlid een 'racist' was genoemd. Er volgde een debatje. Moest de spreker dit woord terugnemen? Moest het uit het verslag worden geschrapt? De waarnemend voorzitter wikte, en besliste van niet. De heer Janmaat had zich, volgens de voorzitter, al eerder 'racist' laten noemen. Daarom mocht hij nu niet klagen.

Zo'n bericht zet je aan het denken. Het politieke debat is een hoeksteen van de democratische rechtsstaat. Het recht van vrije meningsuiting is nog zo'n hoeksteen. Nog hoekiger, denk ik. Aan de andere kant heeft iedere burger er toch recht op niet 'zomaar' te worden beledigd. Dat geldt ook voor onsympatieke burgers, die wij in ons hart misschien best een beledigingetje zouden gunnen. Juist dan moet de rechtsstaat pal staan. Dus hoe zit dat nu als het ene Kamerlid het andere - in een Kamerdebat, niet zomaar op straat - voor rotte vis wil schelden?

We kijken om te beginnen eens in de regels die voor de Kamer zelf gelden. Die zijn ruim genoeg: volgens de Grondwet kan een Kamerlid niet worden vervolgd of aangesproken voor wat hij in Kamervergaderingen heeft gezegd. Is daarmee nu het hek van de dam, en kan iedereen in de Kamer maar vrijuit razen? Nee, dat niet. Het Reglement van Orde van de (Tweede) Kamer bepaalt dat de voorzitter sprekers die beledigende uitdrukkingen gebruiken tot de orde kan roepen, en ze kan uitnodigen hun woorden terug te nemen. Als een spreker voet bij stuk houdt kan de voorzitter hem de mond snoeren. Ook kan de Voorzitter, na enig intern beraad, de aanstootgevende passages uit het verslag laten verwijderen. Dus het debatje over de aan het adres van de heer Janmaat gebruikte kwalificatie is helemaal volgens het Reglement verlopen. En toch ....

U herinnert zich dat er een Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is en een Europees Hof in Straatsburg dat daarover waakt. In het EVRM is de vrije meningsuiting natuurlijk opgenomen. Maar het Vedrag staat beperkingen op de vrije meningsuiting toe. Die beperkingen moeten dan bij de wet zijn voorzien, en redelijkerwijs noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.

Eind zeventiger jaren liepen de emoties over een bepaalde politieke kwestie in Oostenrijk hoog op. Kanselier Kreisky mengde zich in het debat. Hij deed dat op een manier, die een bepaalde journalist buitengewoon ergerde. Die journalist schreef daarover dat de kanselier zich aan laaghartig opportunisme had bezondigd, en aan immoreel en onwaardig gedrag.

Kreisky nam dat niet, en liet de journalist vervolgen wegens wat, in het Nederlandse juridische jargon, belediging zou heten. Met succes. Het Hof in Wenen veroordeelde de journalist tot een boete, en beval dat het aanstootgevende blad uit de handel moest worden genomen. Zo was de zaak natuurlijk rijp voor het Hof in Straatsburg.

In het arrest van dat Hof, uit 1986, wordt voorop gesteld dat de vrije meningsuiting een van de essentiële fundamenten van de democratische samenleving is. Binnen die vrije meningsuiting is dan nog van speciaal belang de vrijheid van de pers en, meer in het algemeen, de vrijheid van het politieke debat. Het Hof plaatst dat 'at the very core of the concept of a democratic society which prevails throughout the Convention'. Daaruit leidde het Hof dan weer af dat, als het om meningsuitingen gaat, ten opzichte van politici méér mag dan ten opzichte van gewone stervelingen. Verder moeten waardeoordelen anders worden beoordeeld dan 'harde' feiten. Waardeoordelen zijn naar hun aard onbewijsbaar, feiten kunnen waar zijn of onwaar. Na deze bespiegelingen besliste het Hof dat de kwalificaties die de journalist had gebruikt waardeoordelen waren, en stelde het vast dat het in strijd met het EVRM was geweest om de journalist daarvoor te vervolgen.

Wij kennen in Nederland een hiërarchie van wetten en wetjes, van hoog tot laag. Het EVRM zit helemaal bovenaan deze hiërarchie. Een Gemeentelijke Verordening zit helemaal onderaan. Het Reglement van Orde van de Tweede Kamer zit er zo'n beetje tussenin. Als dat Reglement niet met het EVRM strookt, gaat het EVRM dus vóór.

Stel nu dat de heer Janmaat al bij de eerste keer dat hij voor 'racist' werd uitgemaakt in het geweer was gekomen; en dat de voorzitter (dus) had beslist dat degene die de heer Janmaat een 'racist' had genoemd, dat woord moest terugnemen (op straffe van gemuilkorfd te worden); of dat de voorzitter had beslist dat dat woord uit het verslag moest worden geschrapt - zou dat de botsing met het EVRM hebben doorstaan? Ik weet het nog zo net niet. Ik heb er een hard hoofd in. Gelukkig maar (voor de Nederlandse Staat) dat het zover niet is gekomen. Want het is de Staat, die zich in Straatsburg moet verantwoorden als er tegen het EVRM gezondigd is. De Nederlandse Staat heeft in Straatsburg al een respectabel strafblad. Hier is hij dus goed weggekomen.

Ook overigens ging het goed met de vrije meningsuiting dit jaar. Een inwoner van Eindhoven die een ander had uitgejouwd ('lelijke rotkop' had hij geroepen) werd vervolgd onder een Eindhovense gemeenteverordering die het uitjouwen verbiedt. Dat pikte de rechter niet. Beperkingen van de vrije meningsuiting mogen niet zomaar worden opgelegd. Dat moet bij de wet gebeuren. Een gewone Gemeenteverordening heeft die verheven status niet. De verdachte ging dus vrijuit, tot in hoogste instante. U hoeft, ook in Eindhoven, van uw hart geen moordkuil meer te maken.