Vuile rode honden zullen er altijd blijven; Gesprek met Manuel Vazques Montalban, het linkse geweten van Spanje

“Politiek heeft voor mij van begin af aan evenveel te maken gehad met ethiek als met esthetiek,” zegt Manuel Vázquez Montalbán, Spaans veelschrijver en communist. De moderne architectuur van Barcelona gaat volgens hem samen met een nieuwe vorm van misdaad. “Voor mijn ouderwetse privédetective Pepe Carvalho is de stad bijna onwerkbaar geworden.”

Manuel Vázquez Montalbán: Galndez. Vert. Saskia den Otter. Uitg. Menken Kasander & Wigman, 623 blz. Prijs ƒ 45,-.

De Olympische Spelen van Barcelona hebben niet echt bestaan. Net als de Golfoorlog, en net als sommige mensen over wie we nooit de historische waarheid zullen weten. Ze zijn als teksten die in de diepste diepten van een computergeheugen zijn verdwenen nadat er een tijdje mee is gemanipuleerd. Geen onderdeel van de geschiedenis, maar een niet meer relevante versie van het heden.

Manuel Vázquez Montalbán stelt het somber vast, maar weigert koppig om zich er bij neer te leggen. Wat hem betreft is de geschiedenis nog lang niet afgelopen en als niemand hem voortzet zal hij het desnoods wel in zijn eentje doen. In zijn boeken houdt hij daarom die vluchtige gebeurtenissen en die dubbelzinnige mensen levend. Of het nu gaat om de Olympiade of een in de jaren vijftig spoorloos verdwenen nationalist uit Baskenland; hij neemt ze ernstig. En toch ook weer niet; want hij speelt met de feiten. Dat is geen paradox, maar nogal logisch voor een schrijver die de woorden politiek en esthetiek meestal in één adem noemt.

“De val van de muur,” zegt hij, “heeft mij als communist niet erg teleurgesteld. Ik geloofde toch al niet in utopieën. Maar in symbolisch, in esthetisch opzicht heb ik mij er zeer aan gestoord. Doordat het zo makkelijk ging, leek het opeens alsof dat hele Sovjet-communisme al die tijd van bordkarton was geweest. Een Hollywood-produktie. Alsof de Amerikanen hun eigen tegenstander hadden gefabriceerd. Ik ben pessimist genoeg om me bij het voortbestaan van onrecht neer te leggen. Het zijn de gebaren, de domme en botte manifestaties van de macht waardoor ik iedere keer weer in woede ontbrand.”

We hebben afgesproken in het statige kantoor van het literaire agentschap van Carmen Balcells. Kunst aan de muren, parket op de vloer en tegen de wanden ingebonden manuscripten van de auteurs die Balcells vertegenwoordigt: Vargas Llosa, Garcá Márquez, Fuentes, Vázquez Montalbán. Hij is klein en kaal, besnord en gezet, en draagt een zwart jack van kunstleer dat tot aan de nek is dichtgeritst. Zo zien honderdduizenden van zijn landgenoten er uit wanneer ze 's ochtends naar fabriek of werkplaats gaan - hij zou een kaderlid van een van hun vakbonden kunnen zijn. Het verschil is dat deze telg uit een 'rigoureus-proletarisch' geslacht op het ogenblik niet bedreigd wordt door ontslag of arbeidstijdverkorting. Spanje mag dan na het jubeljaar 1992 in de zwaarste economische crisis sinds mensenheugenis zijn gestort, Manuel Vázquez Montalbán (54) laat met ouderwets elan de schoorstenen van zijn ambachtelijke onderneminkje roken.

Dit produktieproces begon dertig jaar geleden in de gevangenis, waar hij anderhalf jaar vastzat wegens staatsondermijnende activiteiten. Hij maakte er een handboek voor journalisten en twee bundels gedichten. Sindsdien publiceerde hij zeventien detectiveromans rond de a-typische speurder Pepe Carvalho, die steeds tegelijkertijd een lopend commentaar op actuele gebeurtenissen inhielden - de laatste, Sabotaje Olmpico is een zwarte satire over de Spelen en hun gevolgen. Door zijn columns en artikelen in het dagblad El Pas en zijn veelvuldige optredens in televisiepraatprogramma's groeide hij uit tot het welsprekende linkse geweten van het door socialisten bestuurde Spanje. Daarnaast schreef hij scenario's, een paar kookboeken, verscheidene essay- en poëziebundels, een musical en vijf 'gewone' romans. El pianista (1985, in het Nederlands vertaald) is een nostalgisch verhaal over arbeiders en kunstenaars in het oude Barcelona ten tijde van de dictatuur. De Autobiografá del general Franco (1992) is een ruim zeshonderd pagina's tellende afrekening met de belangrijkste man in zijn leven. Voor Galndez (1990), dat onlangs in Nederlandse vertaling verscheen, werd hem vorig jaar de Europese Literatuurprijs toegekend.

Daardoor ging Montalbán toch nog deel uitmaken van de Grote Gebeurtenissen in het Spanje van 1992, die hij zelf 'een mysteriespel' heeft genoemd, “een ritueel om onze moderniteit door middel van bezweringen dichterbij te brengen.” Of is die Euro-onderscheiding soms niet bij uitstek artistiek èn politiek?

“Dat een Spanjaard hem juist dat jaar moest krijgen, terwijl Madrid Culturele Hoofdstad was en in Sevilla de Wereldtentoonstelling in volle gang was, zal wel niet helemaal toevallig zijn geweest,” geeft hij toe. “Maar ik had me zelf niet kandidaat gesteld en ik was geprest om op de uitreiking te verschijnen. Aanvankelijk had ik afgezegd. Ik had helemaal geen zin om persoonlijk te gaan vernemen dat ik de prijs niet had gekregen. Het leek me bespottelijk dat de zeven finalisten als bij een Miss-verkiezing voor de jury moesten defileren. Ik heb nog gevraagd of ik in zwembroek moest gaan. Uiteindelijk heb ik het maar beschouwd als een oefening in nederigheid. Ik wist tevoren echt niet dat ik zou winnen en uiteindelijk is het ook allemaal niet zo heel belangrijk gebleken. Vertaald werd ik toch al. De uitreiking was een potsierlijke ceremonie in de duurste feestzaal van Madrid. De minister van cultuur die de plechtigheid moest leiden was mijn oude strijdmakker Jordi Solé Tura, de man die Althusser in Spanje introduceerde. Ik probeerde hem over de tafel heen een knuffel te geven. De zaal verstijfde. Ze dachten dat ik hem een oorvijg verkocht.”

Wat is het verschil tussen u en die minister?

“Hij is een politicus. Toen hij nog communist was, was hij het voor honderd procent. Met heel zijn wezen. Ik ben altijd een revisionist geweest. Want naast de politiek zijn er andere dingen belangrijk voor mij, zoals het schrijven, en de politiek zelf heeft voor mij van begin af aan evenveel te maken gehad met ethiek als met esthetiek. Communist-zijn onder Franco was zowel ethisch als esthetisch in orde. Op momenten dat het heel slecht ging met de strijd, putte ik troost uit de gedachte dat ik tenminste een onderdeel was van het schilderij, van de totale compositie, en dat ik daarin aan de goeie kant stond. Ik herinner me die gedachte heel levendig van de eerste keer dat ik werd opgepakt. Ik was doodsbang en dacht tegelijkertijd: 'wat mooi dat ik dit heb gedurfd.' In de gevangenis ben ik natuurlijk veel dagen en nachten heel kwaad geweest op mezelf, maar het besef dat je iets goeds had gedaan - en anderen niet - ging nooit helemaal verloren. Ik denk dat mensen die zich helemaal opofferen voor een ideaal diep van binnen toch ook bevrediging scheppen uit hun ontberingen. En vaak op die esthetische manier. Dat is ook goed. Als ze van het lijden zelf zouden houden, waren het masochisten.

“Solé Tura is sociaal-democraat geworden omdat hij min of meer links wilde blijven maar ook deel wilde hebben aan de macht. Voor een volbloed-politicus is dat een logische keuze, want als communist kan dat niet in Spanje. Ik heb wel op kieslijsten gestaan en ben lid geweest van het Centraal Comité, maar mijn ambitie is niet politiek. Die is cultureel en literair. Ik ben dus ook partijlid gebleven. Uit nostalgie, uit trouw aan het verleden. Ik ben geboren in het kamp van de anti-franquisten, mijn familie had de Burgeroorlog verloren. Het landschap van mijn jeugd kan ik niet afzweren. Een Franse communist die bekend stond als kritisch en anti-marxistisch, vroegen ze eens waarom hij toch bij de partij wilde blijven horen. Zijn antwoord was: 'omdat ik daar de meeste communisten tegenkom.' Zo denk ik er ook over. De huidige koers van de partij lijkt me, op zijn zachtst gezegd, exotisch. Maar dat is van minder belang. Solé Tura en ik schrijven elkaar van tijd tot tijd een brief. Soms een harde.”

Uw collega-schrijver Jorge Semprun is ook communist geweest, en nog niet zo lang geleden minister van cultuur. Hij heeft het partijverleden juist heftig van zich af geschreven.

“Semprun voelt zich schuldig. Dat alleen al bewijst dat hij geen politicus is. Hij is helaas ook geen bijzonder slimme man. Hij lijdt aan hetzelfde complex als Mario Vargas Llosa. Deze mensen denken dat door hun toedoen in het verleden duizenden mensen verkeerd hebben gekozen en dat ze dat nu allemaal weer persoonlijk recht moeten zetten. Semprun waande zich een messias toen hij communist was. Hij gedraagt zich nu even messiaans als neo-liberaal. Ik sluit niet uit dat zelfs zo iemand goede boeken kan schrijven. Of dat in zijn geval ook gebeurt, betwijfel ik.”

'Galndez' is een politiek boek. Het speelt tijdens de Koude Oorlog. Wat is de relevantie ervan in de jaren negentig?

“Jesús Galndez heeft echt bestaan. Hij was een Baskische nationalist, die na de Burgeroorlog eerst in de Dominicaanse republiek woonde, waar hij problemen kreeg met Trujillo, en uiteindelijk in New York terechtkwam. Waarschijnlijk werkte hij toen al geruime tijd voor de CIA. Roosevelt had de gematigde nationalisten van de Partido Nacionalista Vasco tijdens de Tweede Wereldoorlog immers beloofd dat hij hun zou helpen bij het stichten van een onafhankelijke Baskische staat, als het fascisme eenmaal overwonnen was. Ik herinner me nog goed hoe ik in de gangen van de universiteit voor het eerst over Galndez hoorde spreken. Het was 1956 en over zijn ontvoering had een groot stuk in het tijdschrift Life gestaan. Hij was in zijn flat overvallen, bedwelmd, het land uitgesmokkeld en op Santo Domingo doodgemarteld. Dat nummer van Life mocht niet in Spanje worden verspreid. Franco stelde hoge prijs op zijn goede betrekkingen met Trujillo en Eisenhower en die twee wilden al evenmin onenigheid met elkaar. De zaak moest worden doodgezwegen.

“Voor mij is het belangrijkste van de figuur Galndez zijn absolute eenzaamheid, in ieder opzicht. Geografisch, politiek, fysiek. Daar was ik diep van onder de indruk. Er worden overal ter wereld voortdurend mensen opgesloten en doodgemarteld, maar meestal is er toch nog iemand buiten de cel die weet waar je bent, die voor je vecht, of op zijn minst protesteert. In zijn geval had niemand er belang bij om iets over hem te weten. Hoogstens die paar dwaze Basken die op zolderkamertjes nog steeds droomden van hun onafhankelijke staat, waar niemand anders meer belang bij had. De hoofdpersoon in de roman is een naïeve Amerikaanse studente, Muriel, die dertig jaar later de waarheid over Galndez probeert te achterhalen. Het onderzoek wat zij doet, heb ik voor een deel zelf verricht. Ik ben naar Miami, Santo Domingo, Bilbao geweest en heb mensen geïnterviewd die hem gekend hebben. Die interviews staan voor een deel ook in het boek, als interviews van Muriel. Maar wat werkelijkheid lijkt is vaak fictie, en omgekeerd. Er is later wel over de kwestie geschreven en Galndez is na 1975 in zijn geboortestreek bijgezet in het pantheon van nationale helden, waar niets kwaads meer van mag worden gezegd. Hij is heilig verklaard, heeft zelfs een monument. Ik vind hem een zeer dubbelzinnige figuur. Alles stond bij hem in dienst van zijn nationalisme. Alles was geoorloofd, als het goed was voor de Baskische zaak. Hij is voor de CIA in Portoricaanse kringen geïnfiltreerd, waar men een aanslag op Truman beraamde. Zo'n figuur als Galndez is tegenwoordig veel normaler dan destijds. Universele waarden die ondergeschikt worden gemaakt aan sectoriale belangen - dat zie je nu overal.”

Maar de schurken in uw boek zijn uiteindelijk toch weer de Amerikanen, die in hun strijd tegen het communisme coalities sluiten met de gruwelijkste dictaturen. Hoewel het boek na de val van de Muur verscheen, heeft u de speurtocht van Muriel uitdrukkelijk gesitueerd tijdens die laatste opflakkering van rabiate rechtsheid in het Reagan-tijdperk, zodat ze ervan kan worden beschuldigd een 'vuile rode hond' te zijn. Nog een keer: is dat nog relevant?

“Ja. Want uiteindelijk gaat dit boek niet over Reagan of over het communisme maar over de nutteloosheid van verzet, van de hele kritische cultuur. Vuile rode honden zullen er altijd blijven. Iemand die twijfelt aan de rechtvaardigheid van de internationale economische verhoudingen of bezwaren maakt tegen de Golfoorlog is een vuile rode hond. Misschien worden dit soort mensen voor de verandering weleens vuile paarse honden genoemd, omdat ze zich inzetten voor homoseksuelen, of vuile groene honden, omdat ze radicale plannen hebben voor het milieu. Maar dat blijft hetzelfde. Ik durf zelfs te zeggen dat de rode honden van nu meer aanstoot geven dan die van vroeger, toen we nog in de logica van machtsblokken konden denken. Je kunt je nauwelijks voorstellen hoeveel woede het bij onze machthebbers wekt wanneer je tegen het systeem bent zonder dat je daar zelf voordeel van kunt verwachten. Dat past niet in hun manier van denken, het maakt hen machteloos. Ik houd van Muriel dan ook vooral om haar naïviteit, haar onschuld, haar altruïsme. Ze wil gewoon de waarheid over Galndez weten, hoewel ze er niets aan heeft.”

'Galndez' speelt zich nauwelijks in Spanje af, maar gaat wel voor een belangrijk deel over de Spaanse mentaliteit. Muriel denkt dat het postmoderne cynisme van Spaanse intellectuelen anders, vergeeflijker, is dan dat van de Fransen, de Italianen en de Amerikanen.

“Dat ben ik met haar eens. Ik was niet in Parijs in 1968. Daar had ik niets te zoeken, want Franco was nog lang niet dood. Ik heb er dus ook geen kater van. In West-Europa lijkt de huidige moedeloosheid onder intellectuelen me inderdaad een reactie op de grote perspectieven van de jaren zestig en zeventig. Hier bij ons is het vooral een psychologische kwestie. Wij zijn moe. Het is de laatste eeuwen een zware opgave geweest om Spanjaard te zijn. Steeds weer burgeroorlogen, dictaturen, slachtpartijen. In de jaren zestig werden toeristen uit de rest van de wereld naar onze stranden gelokt met de slagzin Spain is different. Daar hebben we schoon genoeg van. Wij willen niet meer anders zijn, maar zo normaal als de normaalste volkeren van de wereld. Wij vinden dat we nu recht hebben op de stabiele periode in onze geschiedenis. Drie jaar geleden vroeg de grootste krant van Catalonië in een enquête welke nationaliteit de lezers zouden willen hebben als ze niet hun huidige hadden. De uitkomst was: de Zwitserse of de Japanse. Zelf ben ik ook dol op Zwitserland. Het staat er vol met geraniums.

“Maar die rust wordt ons natuurlijk niet gegund. Want de geschiedenis is niet afgelopen. De problemen van Europa beginnen pas. Problemen die we tien jaar geleden niet eens hadden kunnen bedenken. Problemen die bijvoorbeeld te maken hebben met het nationalisme, maar ook met de uniformering van onze verbeelding door de media. Daar zit niet eens een complot achter, ik ben bang dat het vrijwillig is. Van Manhattan tot Somalië krijgen we dezelfde televisieseries en dezelfde openingsceremonies van Olympische Spelen te zien. Wie zich daar niet mee kan identificeren, bijvoorbeeld omdat hij niet welvarend is, wordt geacht zich mislukt te voelen. Zijn verbeelding heeft geen bestaansrecht, zijn wereld is nergens vertegenwoordigd. Barcelona is dankzij de bouwwoede van de Spelen beter geworden voor de weerbare, jonge mensen en slechter voor een heleboel anderen. Er is veel moderne architectuur neergezet, die in de cultuurbijlagen wordt geprezen. Voor mijn ouderwetse privédetective Pepe Carvalho is de stad intussen bijna onwerkbaar geworden. De misdaad van toen is met de oude stad verdwenen en die van nu heeft een verbond met de macht gesloten, het is postmoderne misdadigheid. Daar is nauwelijks een behoorlijke whodunnit over te schrijven. Ik vind dat althans steeds moeilijker. Mijn held wordt met ieder boek somberder en chaotischer. Ik had gehoopt dat hij een industrietje kon worden, zoals de Maigrets van Simenon, maar dat is volledig misgelopen. Ik denk dat ik hem binnenkort met pensioen moet sturen. Zijn wereld loopt op zijn eind en wordt door anderen overgenomen.”

Verbrandt Carvalho daarom voortdurend boeken uit zijn rijke bibliotheek?

“Ik ben pas gaandeweg gaan ontdekken waarom hij die vreemde gewoonte heeft. In de allereerste aflevering uit de serie (Ik vermoordde Kennedy, 1972) bouwde hij nog huizen van boeken. Pas in het tweede boek gooide hij voor het eerst een paar deeltjes op het haardvuur en dat is hij blijven doen. Om te beginnen is het natuurlijk een goede manier om beschaafde lezers te treiteren, maar ik denk ook dat er zich iets in uitdrukt van mijn eigen ambivalente houding tegenover de cultuur. Aan de ene kant ben ik geworden wie ik ben dankzij het schrijven; daardoor ben ik aan mijn milieu ontsnapt en heb ik een sociale en economische sprong voorwaarts gemaakt. Tegelijkertijd ben ik me ervan bewust dat je voortdurend maskers opzet in dit werk, dat je jezelf en je afkomst vervalst. Dat verhindert je vaak te leven.

“Ik ben op een voor mijzelf beangstigende manier aan het schrijven verslaafd. Ook fysiek, ik voel me ellendig als ik niet heb geschreven. Het is niet meer vrijwillig. Terwijl ik van huis uit toch een rustige, gelijkmatige persoon ben die beseft dat het gaat om de kleine geluksmomenten in het leven - het bereiden van een maaltijd, een gesprek met goede vrienden - is er een perverse kant in mij die voortdurend de confrontatie wil aangaan met de rest van de wereld. Misschien dat die boeken daarom met de tijd almaar pessimistischer worden. De schrijver in mij wordt ouder en dus wanhopiger. Mijn volgende roman heet De wurger. Dat wordt een gevaar voor de geestelijke volksgezondheid. Het lijkt me goed nu alvast het advies te verspreiden om hem niet te lezen.”