Variaties in straatrumoer

Heeft het nog (of misschien opnieuw) zin, auto's tentoon te stellen, louter wegens de schoonheid van hun lijnen en de poëzie van hun motoren? Na vijftien jaar heeft het Museum of Modern Art zich er weer aan gewaagd: drie Ferrari's, designed for speed.

Ik hoor dat het storm loopt, maar ik ben niet gegaan. Daar sta je je te vergapen aan zo'n magnifieke machine. In stille bewondering voor de manier waarop alle paardekrachten en de benzinetank zijn opgeborgen, met zo'n raffinement dat er nog ruimte is voor twee leren fauteuils waarin de mensen horen die je het laatst gezien hebt op de Boulevard des Anglais terwijl ze je met tien kilometer per uur voorbij reden, langzaam genoeg om je hun soevereine minachting voor jou en de rest van de wereld van hun mondhoeken te laten lezen.

Bij het design van een Ferrari hoort het design van twee typen gezicht: het eerste dat een retorische vraag stelt - Wie doet me wat - en het tweede waarvan de mond een beetje openhangt. Ik ben bang dat ook de kunstliefhebbers in een beroemd museum bij de eerste aanblik van een Ferrari even het gezicht van het laatste type zullen trekken; een heel ander gezicht dan ze hebben als ze voor de Guernica staan. Dit type gezicht, van de Ferrari, zou je ook het oude Oostblokgezicht kunnen noemen. Wie weleens, vóór de val van de Berlijnse Muur met zijn auto van westers fabrikaat in een stad van het Warschau Pact heeft geparkeerd, of wie heeft gezien dat een andere westerling dat had gedaan, weet dat er binnen een minuut een drom omheen stond vergelijkbaar met die de Ferrari in het museum trekt. In het Oosten was het vooral de BMW, de Guernica onder de auto's, bij wijze van spreken. Men keek devoot door de raampjes, bukte, knielde alsof het wonder van Fatima vier wielen had gekregen. Het was een serviel soort belangstelling, dat was het genante ervan.

Ik ben er dus niet zeker van of het succes van deze expositie alleen aan het verlangen naar schoonheid te danken is. Op de RAI kost het de suppoosten ook vaak moeite het publiek in bedwang te houden. Bewondering als gesublimeerd straatrumoer, om het letterkundig te zeggen, of het eerbiedig kijken dat aan het praktische rauzen en scheuren voorafgaat.

Straatrumoer en kunst: daar heb ik de noemer die dit onderwerp met het volgende verenigt. Lorena Bobbitt, de vrouw die na jaren door haar man te zijn geslagen, mishandeld, beledigd en uitgescholden zijn penis eraf sneed, is daardoor wereldberoemd geworden. In januari wordt ze berecht. Als de voortekenen niet bedriegen, zal het een van de meest besproken processen van ons fin-de-siècle worden. Alle partijen voelen zich tot in de kern van hun wezen aangetast; niet alleen vrouwen en mannen als tegenstanders. Ook de juristen, de moralisten, vrienden die bij elkaar op visite gaan, de borreltafelaars, de schrijvers, wie weet de toneelschrijvers, en de humoristen. Mevrouw Bobbitt is niet simpelweg wereldberoemd zoals Lady Di of Boris Jeltsin; ze heeft een wereldgesprek in alle toonaarden veroorzaakt.

Afgezien van alles wat ik erover heb gehoord en gelezen leidt ik dat ook af uit drie cartoons in The New Yorker van 29 november. De eerste is een toespeling op een kinderliedje, Three Blind Mice. Deze muizen hinderen een vrouw dusdanig dat ze het vleesmes pakt en de dieren de staart afsnijdt. Op dit plaatje in het weekblad zien we drie blinde muizen - zwarte bril, witte wandelstok - zorgelijk bijelkaar zitten. Eén zegt: 'She cut off his what with a carving knife?' Op het tweede plaatje zitten twee mannen aan de bar. De ene zegt: 'What's the big deal? I lopped off my own damn penis years ago.' De derde cartoon stelt een echtpaar voor, zo te zien van tegen de middelbare leeftijd, in goede doen en aan het ontbijt de krant lezend. De vrouw kijkt op en zegt: 'Pass the cream or I'll cut off your penis.'

Ik lees dit over en ik denk: je moet getekende grappen niet navertellen. Als ze goed zijn, waaraan ik in deze drie gevallen niet twijfel, vormen tekening en tekst een eenheid als een voltreffer. Maar omdat ik ze zo leuk vind, of meer dan dat, en omdat The New Yorker in Nederland niet overal te koop is, en omdat het genre cartoon bij ons op sterven na dood is, heb ik me over de bezwaren van het navertellen heengezet en de tekst intact gelaten. Ik besef de tekorten, ik waag het erop, ik hoop dat ik niemand heb gekwetst.