Topindustriëlen vragen Europese Unie concurrentievermogen te versterken; Pleidooi voor industrieel handvest

BRUSSEL, 3 DEC. De grote industriële ondernemers in Europa willen dat de Europese Unie alles op alles zet om de produktiekosten voor het bedrijfsleven te verlagen. Alleen door het terugbrengen van de kosten en door voorop te lopen met innovatie en technologie kan Europa haar verloren gegaan concurrentievermogen in de wereld weer opvijzelen.

Veertig industriëlen uit Europa, verenigd in De Europese Ronde Tafel, schrijven dit in een manifest 'De crisis te lijf', dat vanochtend in Brussel werd gepresenteerd als hun bijdrage aan het komende Witboek van voorzitter Jacques Delors van de Europese Commissie over 'economische groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid'. Het Witboek zal volgende week op de agenda staan van de Europese top van regeringsleiders in Brussel.

De ondernemers van De Europese Ronde Tafel - onder wie vooraanstaande persoonlijkheden als bestuursvoorzitter Maljers van Unilever, Agnelli van Fiat, de zojuist als topman van Volvo afgetreden Gyllenhammar, Reuter van Daimler-Benz en Timmer van Philips - stellen dat herstel van het concurrentievermogen de komende jaren politieke topprioriteit moet hebben voor Europa. Ze pleiten voor de opstelling van een Handvest voor de Industrie, waarin een strategische benadering voor het economisch herstel in Europa wordt beschreven en waarin de belangrijkste beleidsprioriteiten zijn vastgelegd om het ondernemingsklimaat in Europa te verbeteren. Een apart op te richten Europese Raad voor de Concurrentie, waarin industrie, overheid en wetenschap zijn vertegenwoordigd, moet de uitvoering van het handvest bewaken en moet de regeringsleiders advies uitbrengen.

De industriëlen waarschuwen dat Europa hoge kosten paart aan lage groei. Met haar gefragmenteerde financiële, economische en politieke stelsels heeft Europa nagelaten zich op te maken voor economische groei, zoals andere landen hebben gedaan. Vergeleken met de belangrijkste concurrenten is Europa op achterstand gezet op het terrein van economische dynamiek, technisch leiderschap, financiële solvabiliteit en volledige werkgelegenheid. Er is daarom dringend behoefte aan een radicale verschuiving in het industriële en economische beleid, aldus de ondernemers.

De relatief hoge lonen en loonkosten zijn volgens de industriëlen de belangrijkste oorzaak van de afnemende concurrentie en stijgende werkloosheid in Europa. “Er is werk, maar niet tegen de huidige prijs”. Daarom moet de 'wig' worden verkleind tussen de hoge kosten om iemand in dienst te nemen en het veel lagere bedrag dat werknemers mee naar huis brengen nadat belasting en sociale premies zijn afgedragen. Alleen dan komen er meer mensen aan het werk. “De sociale pijn en de verspilling die wordt veroorzaakt door de werkloosheid zijn niet langer acceptabel”.

Maar ook op andere fronten - zoals transport, energie en financiering - moet Europa haar kosten drastisch beperken. De totstandkoming van de interne markt heeft op zichzelf geleid tot belangrijke kostenbesparingen, maar de interne markt is nog lang niet af, stellen de ondernemers. “Alsof de interne markt niet bestaat, staat een bonte schakering van nationale monopolies de Europese efficiency in de weg”.

De ondernemers zijn weliswaar ingenomen met de plannen om de Europese infrastructuur te moderniseren, maar “er lijkt geen haast te bestaan om ze daadwerkelijk uit te voeren”. De groep industriëlen zegt dat de industrie in Europa nog steeds wordt belemmerd door “onhandelbare regels en een toenemende last van arbeidswetgeving op zowel Europees als nationaal niveau”. Daarom moet pas op de plaats worden gemaakt bij nieuwe regelgeving. “Nieuwe prioriteiten, zoals milieu, moeten op een coöperatieve wijze worden aangepakt en niet door aanvullende belasting en regelgeving”. “Er kan geen sprake zijn van een gezonde samenleving of een gezond milieu zonder een gezonde economie die voor de kosten ervan opdraait”.

Naast kostenreductie en snijden in de regelgeving bestempelen de industriëlen het verhogen van de kwaliteit als essentiële voorwaarde voor concurrentieherstel. “Alleen als Europa voorop loopt met innovatie en technologie en produktieprocessen kwalitatief van het allerhoogste niveau zijn, kan het haar rol spelen in de moderne wereld”.

Ze dringen daarom aan op nauwere samenwerking tussen overheid, industrie en de wetenschappelijke wereld. De wetenschappelijke instituten en laboratoria in Europa moeten systematischer gaan samenwerken omdat de hoge kosten van tachnische projecten nu vaak de grenzen overschrijden van wat bedrijven of zelfs landen aankunnen. Bedrijven in hoogwaardige technologische sectoren (zoals de micro-electronica, informatie en communicatie, boiotechnologie en nieuwe materialen) moeten toestemming krijgen om “industriële clusters” te vormen, teneinde samen te kunnen werken zonder in aanvaring te komen de de concurrentieregels.

Daarnaast moet de aandacht worden gericht op “levenslange scholing en training”, waardoor de vaardigheid van iedereen omhoog gaat, “variërend van jonge kinderen tot ervaren krachten in het arbeidsproces”.

De groep ondernemers stelt dat de overheden in Europa zich moeten binden aan een consistente economische politiek. Onzekerheid is nu eenmaal de vijand van investeren, staat in het manifest. Dat gevoel van onzekerheid wordt gevoed door wisselkoersinstabiliteit, steeds weer veranderende politieke prioriteiten en onvoorspelbaarheid op het gebied van handelspolitiek, concurrentiebeleid, belastingen en energiekosten.

De grote concerns in Europa kunnen op hun beurt veel doen om het vliegwiel van de economie aan te jagen. Maar als het gaat om het creëeren van werkgelegenheid, moet vooral worden gekeken naar de kleine en middelgrote ondernemingen, geven de industriëlen toe. Het kleine en middelgrote bedrijven vormen het grootste potentieel voor het scheppen van banen. “Tegenwoordig zijn zij de belangrijkste slachtoffers van starheden en regulatie. Zij verdienen in de toekomst de meeste hulp en aanmoediging”.