Tegendraadse vraagstellingen gevraagd

Door een technische fout zijn er in het artikel van J.H. Sampiemon van gisteren enkele alinea's verwisseld. Daarom volgt het hier nog een keer.

Er voltrekt zich in wetenschappelijke kringen in de Verenigde Staten een ontspannen discussie over de vraag waarom de beroepswaarzeggers er niet in zijn geslaagd de 'afloop met een sisser' van het Sovjet-experiment te voorspellen. Wel degelijk waren er scenario's bedacht voor het einde van het Sovjet-imperium, maar daarin was verondersteld dat de ondergang nog wel even op zich zou laten wachten en dat hij ten slotte met veel geweld gepaard zou gaan. De onbloedige abdicatie in Oost-Europa en vervolgens in Moskou zelf, zoals die ten slotte door Gorbatsjov min of meer noodgedwongen werd volvoerd, was voor de gehele linie van waarnemers, de inlichtingendiensten van het Westen incluis, een verrassing.

Het is begrijpelijk dat personen die ervoor worden betaald om de toekomst te voorspellen, aan de gang van zaken een kater hebben overgehouden. Tenslotte reikt hun instrumentarium heel wat verder dan de dierlijke ingewanden waarmee hun voorouders zich bij het lezen van de toekomst moesten behelpen. De behoefte aan zelfonderzoek is evident.

Van de voorlopige verklaringen voor het falen is de meest politieke het interessantst. Daarin wordt namelijk vastgesteld dat wetenschapsbeoefenaars worden betaald uit fondsen, dat die fondsen worden gevuld door opdrachtgevers en dat die opdrachtgevers absoluut niet waren geïnteresseerd in een scenario zoals dat zich in de werkelijkheid heeft voltrokken. De vraagstelling met betrekking tot de toekomst viel binnen de termen van de Koude Oorlog, en in een oorlog is de overweging dat de vijand stilletjes het slagveld verlaat buiten de orde.

Of er een politieke en wetenschappelijke consensus zal worden bereikt over het waarom van het falen, is hoogst onzeker. Daarvoor zijn de betrokkenen waarschijnlijk al bij voorbaat te zeer verdeeld. Maar er behoeft niet op eensgezindheid te worden gewacht om alvast een techniek van de tegendraadse vraagstelling te ontwikkelen opdat verrassingen zoals het konijn van Gorbatsjov in de toekomst zouden kunnen worden vermeden. Voorbeelden liggen voor de hand.

Op de zogenoemde uitdaging door de Oostaziatische tijgers, de grote en de kleine, kan de methode onmiddellijk worden beproefd. De doorsnee 'think tanks' zetten ongestoord hun onderzoek voort naar de betekenis van het Aziatische succes voor de wereldeconomie en de economie van het Westen in het bijzonder. Zij bedenken scenario's om dat succes in goede banen te leiden. Maar ergens moet een groepje originele denkers zich richten op de mogelijkheid dat het verhaal een andere loop neemt, bijvoorbeeld dat niet Rusland, maar juist China in elkaar bestrijdende stukken uiteenvalt, of dat het Chinese mengelmoes van commando-economie en half-kapitalistische anarchie, anders dan een Brzezinski zegt te verwachten, onbeheersbaar wordt.

In breder verband kunnen de politieke, sociale en economische onevenwichtigheden in geheel Oost-Azië worden bestudeerd. Als China zijn expansielust niet kan bedwingen - de Spratley-eilanden komen in gedachte - heeft dat verregaande gevolgen voor ontwikkelingen in de regio. Maar ook een kleine mogendheid als Noord-Korea beschikt over een onevenredig groot potentieel om bestaand evenwicht grondig te verstoren. In hoeverre politieke verdeeldheid, of de kans daarop, de economische kracht van de spelers aantast dan wel juist vergroot, is een vraag die bijzondere aandacht verdient.

Tot dusver wordt in de meeste studies de voortzetting van Japans economische expansie als gegeven beschouwd, soms wordt gespeculeerd op militaire consequenties. Maar hoe die ontwikkeling zich zal verhouden tot die andere aanname, de toekomstige grootheid van China, blijft veelal duister. Het Westen is geneigd Oost-Azië als een geheel te beschouwen, wel een geheel met negatieve en positieve aspecten. Dat is vermoedelijk een gevolg van een neiging tot oververeenvoudiging, een neiging die de beoordeling van het internationale communisme destijds ook al parten heeft gespeeld. Misschien moet er wat meer op eventuele diversificatie van de ontwikkelingen worden gelet.

Dichterbij het Europese huis schuift het 'continentaal plat' van de islam langs dat van de Russische volksplanting, volgens de traditie het wingebied van de christelijke orthodoxie. Hier zou volgens de kenners de Noord-Zuid-tegenstelling wel eens een slopend gewelddadige escalatie kunnen ondergaan: een islamitisch geïnspireerde sociale revolutie versus een christelijk gefundeerd fascisme. Zoals de Russische historicus Sergej Karaganov vorige week zaterdag op deze pagina in een ander verband sober constateerde: “Ten zuiden van het GOS (het Gemenebest van Onafhankelijke Staten) heeft Rusland geen 'natuurlijke' bondgenoten.”

Er is voldoende reden voor het Westen om zich te concentreren op Ruslands zogenoemde ontwikkeling naar markteconomie en democratie. Maar er is niets op tegen om daarnaast de plaats van het Westen te verkennen in het geval Noord en Zuid langs de Russische zuidgrens met elkaar in botsing zouden komen. En de rol van Oost-Azië natuurlijk, al was het maar om de Orwelliaanse variant in het spel te houden.

En ten slotte het Westen zelf. De vrees voor een Westers schisma doemt op in nogal wat commentaren, maar het is als met alle angst: de vrees wordt onderdrukt. Renovatie van mechanismen en instellingen die het Westen bijeen moeten houden heeft voorrang boven nieuwbouw - waar kaalslag wellicht op zijn plaats zou zijn.

De toekomst van de tegendraadse vraagstelling zelf is intussen hoogst onzeker. Zoals gedurende de Koude Oorlog is gebleken, bepalen de interesses van de opdrachtgevers aard en richting van onderzoek. Die opdrachtgevers gaan uit van de overwinning van het Westen in de krachtmeting met het internationale communisme, zoals zij in het verleden uitgingen van de onvermijdelijkheid van de koude confrontratie. En zij menen dat de zege de wereld heeft gemaakt tot een ontvankelijk afzetgebied voor Westerse dogma's. Die veronderstelling behoeft niet onmiddellijk in twijfel te worden getrokken om toch rekening te houden met andere mogelijkheden. En dat dan op grond van serieus onderzoek.