Rapport WVC komt met rekenmodel; Miljarden nodig voor restauratie monumenten

AMSTERDAM, 3 DEC. De Monumentenzorg in Nederland staat in de komende jaren voor een aantal fundamentele problemen. Afnemende financiële middelen en een steeds toenemend aantal nieuwe monumenten dwingen de overheid tot keuzes. “Doorgaan op de huidige weg, dat wil zeggen alleen maar bezuinigen, biedt geen toekomst voor de Rijksmonumenten. En zelfs een verhoging van het budget zonder dat er een samenhangend en structureel plan komt voor het gehele veld van de Monumentenzorg vormt daarbij geen oplossing.”

Dit zei minister d'Ancona van WVC gisteren tijdens de presentatie van het in opdracht van haar ministerie geschreven rapport Monumenten nader bekeken in Amsterdam. In dit rapport wordt niet alleen een overzicht gegeven van de stand van zaken met betrekking tot de Nederlandse monumenten, er wordt ook voor het eerst een rekenmodel gepresenteerd aan de hand waarvan het beleid voor de toekomst kan worden uitgezet.

Het verrassendste aan dit door ir. K. Buitendijk geschreven rapport is dat de teneur feitelijk positief is. Het blijkt namelijk dat sinds 1974 ruim zestig procent van alle 43.000 Rijksmonumenten grondig gerestaureerd is. Dat mag, aldus de samensteller van het rapport, gerust een opvallend resultaat heten. Maar, voegt hij eraan toe, de huidige middelen zijn niet meer voldoende om de restauratie van de resterende veertig procent goed uit te voeren.

Buytendijk: “Als er niets verandert dan is in het jaar 2005 slechts tien procent extra verwezenlijkt. En dan is er voor de categorie nieuwe monumenten al helemaal geen geld. Dat betekent dat er de komende jaren een nieuwe achterstand ontstaat. Wanneer de overheid echter in de komende tien jaar een financiële injectie van 3,6 miljard gulden doet, kan er een situatie ontstaan waarin negentig procent van de monumenten gerestaureerd is.”

En omdat uit onderzoek is gebleken dat bij normaal onderhoud de gerestaureerde objecten vijftig jaar meegaan voordat er opnieuw grote investeringen noodzakelijk zijn, is er na die periode veel minder geld nodig. “Een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen,” aldus Buitendijk.

Volgens de plannen van Buitendijk zou er de komende tien jaar gemiddeld 360 miljoen gulden per jaar moeten worden geïnvesteerd. In dat bedrag van 3,6 miljard is dan wel 70 miljoen opgenomen voor de restauratie van een aantal gemeentelijke monumenten en de naar schatting ruim 700 miljoen gulden die de restauratie van de monumenten van jongere bouwkunst kan kosten. Voor de veertig jaar die daarop volgen valt de restauratiebehoefte terug tot 'slechts' 50 miljoen per jaar. “Wanneer we even de inflatie vergeten dan betekent dat dat over een periode van vijftig jaar uiteindelijk slechts 600 miljoen gulden meer hoeft te worden geïnvesteerd. Maar dan is wel negentig procent van alle Rijksmonumenten in Nederland gerestaureerd. Terwijl bij gelijk blijvend beleid met een jaarlijkse investering van ongeveer 100 miljoen gulden ongeveer dertig procent van de Rijksmonumenten blijvende schade oploopt en bij tien procent van alle monumenten die schade zo groot zal zijn dat sloop noodzakelijk wordt. Bovendien is ook nog geen cent uitgegeven aan de restauratie van de jongere monumenten. Tellen wij dat bedrag mee dan is er over een periode van vijftig jaar zelfs een besparing van 100 miljoen gulden bereikt.”

Een van de belangrijkste voorwaarden voor een dergelijk beleid is volgens Buitendijk een goede wettelijke regeling met betrekking tot de onderhoudsplicht. Die bestaat nu nog niet. De eigenaren - 68 procent van de rijksmonumenten is woonhuis - onderhouden hun bezit goed. Maar er zijn er ook die dat niet doen. Een afdwingbare onderhoudsplicht ziet Buitendijk dan ook als een onmisbaar instrument in de Monumentenzorg.

Een tweede belangrijk punt is de selectie van de monumenten van de jongere bouwkunst. Tot nu toe zijn er door de gemeenten al 18.000 objecten voorgedragen, zoals het stadhuis van Hilversum van Dudok en oude fabriekscomplexen in Enschede. Het zijn er, zo bleek uit de woorden van minister d'Ancona gisteren, veel teveel. “Je moet niet te veel willen beschermen. Dan krijgt het begrip monument last van inflatie. Scherpe selectie is ook in het Deltaplan voor het cultuurbehoud een kritische succesfactor gebleken. Ook bij de jongere bouwkunst zal scherp geselecteerd moeten worden voordat er sprake is van plaatsing van een monument op de Rijkslijst.”

De minister beloofde dat zij binnen afzienbare tijd de criteria waaraan de objecten van jongere bouwkunst moeten voldoen nader zal specificeren. In het voorjaar, dus nog voor de nieuwe Tweede-Kamerverkiezing, zal zij een strategisch plan voor de Monumentenzorg presenteren waarin het volledige instrumentarium voor een goede monumentenzorg in de toekomst uit de doeken gedaan zal worden.