Pieter Post, groots architect in de 17de eeuw; Getuige van Gods orde

Pieter Post ontwierp in de zeventiende eeuw onder meer het stadhuis van Maastricht en Huis Ten Bosch. Hij onderwierp al zijn ontwerpen aan een rigoureus wiskundig maatsysteem. Want dat weerspiegelde de door God verordonneerde harmonische wereldorde.

Tentoonstelling: Papieren paleizen. Architectuurtekeningen van Pieter Post. Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem. T/m 6 febr. Di t/m za 10-17u, zo 13-17u. Gesloten: Eerste Kerstdag en Nieuwjaarsdag.

J.J. Terwen en K.A. Ottenheym: Pieter Post (1608-1669) Architect. Uitg. Walburg Pers, 272 blz. Prijs ƒ 89,-.

De Gouden Eeuw heeft een leger Nederlandse schilders voortgebracht van wie iedereen in ieder geval de namen kent, maar bij Pieter Post denken de meeste mensen toch eerder aan een beroemde twintigste-eeuwse wielrenner dan aan een toonaangevende zeventiende-eeuwse architect. De oude Nederlandse steden zijn ensembles waarvan alleen specialisten willen weten wie de scheppers van de verschillende onderdelen zijn. Van immense gebouwen, zoals het paleis op de Dam in Amsterdam, weet men nog wel dat het gebouwd is door Jacob van Campen, maar de namen van de ontwerpers van de grachtenpanden, hoe groot en mooi ook, zijn relatief onbekend. Tekenend hiervoor is het feit dat het voorlaatste boek over Pieter Post (1608-1669), een bundeling van archiefstudies van G.A.C. Blok, alweer dateert uit 1937. Afgelopen zaterdag verscheen dan eindelijk een nieuwe Post-monografie van J.J. Terwen en K.A. Ottenheym, die de aanleiding vormt voor de tentoonstelling Papieren Paleizen. Architectuurtekeningen van Pieter Post (1608-1969) in het Teylers Museum in Haarlem.

J.J. Terwen heeft zich tientallen jaren beziggehouden met het leven en werk van Pieter Post en het boek is daar de weerslag van. Maar het is niet waarschijnlijk dat het nieuwe Postboek de architect net zo populair zal maken als de zeventiende-eeuwse schilders. Het is een degelijke studie over het leven en werk van Pieter Post, misschien zelfs wat al te degelijk. De lezer komt van alles te weten over Post. Zijn opleiding tot schilder in Haarlem, zijn leerjaren als architect bij Jacob van Campen, zijn eerste volledig zelfstandige ontwerpen als die voor het buitenhuis Vredenburg in de Beemster en zijn aanstelling tot hofarchitect van de Oranjes - niets blijft ongenoemd. Zo hoort het ook natuurlijk, maar helaas vereist het van een niet-specialist een groot doorzettingsvermogen om zich door de zee aan gegevens over aannemers, opzichters, timmerlieden en andere uitvoerders van Posts ontwerpen heen te worstelen. Bovendien ontnemen al die gedetailleerde gegevens het zicht op het belang van Pieter Post. In de bespreking van de veertig gebouwen die met zekerheid of grote waarschijnlijkheid aan Post kunnen worden toegeschreven, komen de schrijvers zelden tot een interpretatie die aangeeft waarom Pieter Post nu zo toonaangevend was in het, zeker in vergelijking met de gelijktijdige barok in Italië, zo sobere Hollandse classicisme. Beoordelingen als die van het in 1668 ontworpen grachtenpand Rapenburg 8 ('kenmerkend voor de nieuwe abstract classicistische richting die Post in zijn late werken ontwikkelde') zijn te schaars om van Posts grootsheid overtuigd te raken.

Pas in het laatste hoofdstuk, waarin de schrijvers het maatsysteem van Pieter Post behandelen, wordt iets duidelijk van de kracht van diens werk. Post onderwierp vrijwel al zijn ontwerpen aan meetkundige verhoudingen die teruggingen op Euclides en werden beschouwd als de weerspiegeling van de door God verordonneerde harmonische wereldorde. Ze waren al in de vijftiende en zestiende eeuw geformuleerd door Italiaanse Renaissance-architecten als Alberti, Vignola en Serlio. Hun boeken waren vóór 1600 weliswaar niet helemaal onbekend in Nederland, maar de belangstelling van Hollandse architecten ging vooral uit naar de ornamenten waarvan de Italiaanse boeken vele voorbeelden bevatten. Later gingen de Nederlanders inzien dat niet de ornamenten, maar de juiste wiskundige verhoudingen de essentie van goede architectuur vormden. Hendrick de Keyser (1565-1621) was een van de eerste architecten die wiskundige maatsystemen in hun ontwerpen gebruikten en werd daarom door de Haarlemse bouwmeester Salomon de Bray in 1631 de 'eerste moderne architect' in Nederland genoemd. Toen Post in 1639 als zelfstandig architect begon kon hij 'direct aansluiten bij een ontwikkeling die reeds vanaf de eerste decennia van de eeuw in gang van gezet', zoals Terwen en Ottenheym schrijven. Een absolute pionier was hij dus niet, maar het laatste hoofdstuk van het boek toont overtuigend aan hoe rigoureus hij Renaissancistische maatsystemen toepaste. Niet alleen de gevels, maar ook de plattegronden, de interieurs met al hun versieringen en zelfs de tuinen en niet uitgevoerde stedebouwkundige ontwerpen probeerde hij te doordringen van Gods orde.

Ideaal

Voor de tentoonstelling in het Teylers Museum geldt precies het omgekeerde als voor het boek: hier wordt de bezoeker in de korte inleidende teksten weliswaar niet belaagd door hordes timmerlieden, maar komt hij juist weer weinig te weten van het maatsysteem van Post, toch de essentie van zijn werk. De tekeningen, boeken, brieven en maquettes moeten voor zichzelf spreken. Ze geven op eenvoudige wijze een gedeeltelijk overzicht van Posts oeuvre. Gedeeltelijk, want vreemd genoeg zijn juist Posts belangrijkste werken niet of nauwelijks vertegenwoordigd in het museum. Van het stadhuis van Maastricht en het Huis Ten Bosch in Den Haag (in het boek nog betiteld als 'een van de meesterwerken van Pieter Post') zijn alleen twee prenten uit een prentenboek te zien. En van de Waag in Gouda en de Kruitmagazijnen aan de Schie bij Delft, een vrijwel ornamentloos gebouwencomplex dat volgens Terwen en Ottenheym 'het 17de-eeuwse ideaal van de zuivere architectonische schoonheid onverhuld weergeeft', is zelfs geen spoor te bekennen. Van sommige van deze hoofdwerken is de afwezigheid overigens gemakkelijk te verklaren: er zijn nauwelijks of geen tekeningen van behouden gebleven.

Toch is Pieter Post een van de zeventiende-eeuwse architecten van wie de meeste tekeningen bestaan. Blijkbaar vonden ook de Goudeneeuwers ze zo mooi, dat ze minder dan gewoonlijk na bewezen diensten werden gebruikt als kladpapier of om de kachel mee aan te maken. Driehonderd tekeningen van Post zijn behouden gebleven en daarvan zijn er nu een stuk of honderd te zien op de bescheiden tentoonstelling in Haarlem. Ze laten zien dat de zeventiende-eeuwse eigenaars gelijk hadden. Vooral de gevelontwerpen zijn schitterende aquarellen, met een zacht roze voor de bakstenen muren en een blauw-grijs voor de daken. En de tekening van een Corinthisch kapiteel is zo precies, compleet met schaduwwerking weergegeven, dat het een misdaad zou zijn geweest als die was weggegooid.

Toch halen deze tweedimensionale weergaven van architectuur het niet bij het driedimensionale hoogtepunt van de tentoonstelling: de zeventiende-eeuwse houten maquette van Vredenburg, het buitenverblijf dat Post voor de Amsterdamse koopman Frederick Alewijn in de Beemster bouwde en waarvan nu alleen nog een bijgebouw rest. Ook het houten miniatuurhuis is al lang niet meer in volmaakte staat, maar misschien juist daardoor geeft het beter dan de tekeningen Posts grootsheid weer: zelfs een scheefgezakte galerij en allerlei verweerde details kunnen de goddelijke harmonie en rust van Vredenburg niet verstoren.