'Maij is nodeloos agressief over vervuiling van de Maas'; Minister uit Wallonië wil wel praten

BRUSSEL, 3 DEC. Juist nu er schot in de onderhandelingen met België over de kwaliteit en de kwantiteit van het Maas- en Scheldewater maken de Waalse en Nederlandse ministers van waterstaat ruzie over Belgische lozingen in de Maas.

Maandag en dinsdag komen in Parijs hoge ambtenaren bijeen uit de landen van het stroomgebied van Schelde en Maas. Maar vorige week vrijdag ging het alarm af op het meetponton van het Riza in Eijsden. In iedere liter Maaswater die bij Eijsden het land binnenkwam zat 600 microgram di-isopropylether, dertig keer meer dan de alarmwaarde.

Minister Maij-Weggen (waterstaat) schreef haar Waalse collega Guy Lutgen, minister van Milieu en menselijke hulpbronnen, onmiddellijk een brief waarin zij hem grove nalatigheid verweet in het beheer van het Maaswater. En nu is Lutgen boos. Allereerst omdat Maij hem publiekelijk de mantel uitveegde voordat hij haar brief had ontvangen: “Zoiets doe je niet een paar dagen voordat we met elkaar moeten praten. Maar het is niet de eerste keer dat mevrouw Maij een weg bewandelt die relationeel gezien onacceptabel is.”

De ernst van het incident wordt volgens hem schromelijk overdreven: “Er is inderdaad een leiding gesprongen bij de kunstmestfabiek Prayon-Rupel, maar dat is een ongeluk dat je ons niet kunt verwijten. Zo dramatisch was het ook niet. Er was 630 keer meer propylether en 400 keer meer tributylfoosfaat nodig geweest om vissterfte te veroorzaken. In beide gevallen gaat het om zwak-giftige vluchtige stoffen, die na enige dagen zijn verdampt.”

De reactie van Maij is een media-stunt van iemand die al langer een guerrilla tegen de Walen voert, vindt Lutgen. “Ze doet alsof de hele Maas zwaar is vervuild. Dat is onjuiste informatie, een provocatie op enkele dagen van de conferentie in Parijs. Ik heb ook al meegemaakt dat ze naar de Vlamingen is gestapt, omdat er met de Walen geen zaken waren te doen over de Schelde. Toen zeiden de Vlamingen dat ze niet zonder ons konden, en gooide ze de deur weer boos dicht. Dat is nodeloos agressief gedrag, dat het overlegklimaat bij voorbaat verziekt.”

Lutgen probeert zijn goede bedoelingen aan te tonen: “Ik heb mijn budget voor de verbetering van het oppervlakte- en het grondwater verdrievoudigd. Ieder jaar wordt de Maas beter. Ook in Antwerpen wordt Maaswater uit het Albertkanaal voor de drinkwaterbereiding gebruikt. Daar hoor ik nooit klachten, terwijl men daar ook zeer hoge kwaliteitseisen stelt. Maar neem nu de stad Rotterdam, die hier af en toe een stukje theater komt opvoeren. Ik heb wethouder Hoogendoorn gezegd: meneer, als U allerlei acties wilt ondernemen om hier de Maas te verbeteren buiten alle internationale overleg om, dan beschouw ik dat als een inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Wallonië. Wij stellen hier de voorwaarden voor een lozingsvergunning op, niet U. Ik heb minister-president Lubbers een brief geschreven met het verzoek om de zaak in Nederland eens te kalmeren. Ze vergeten blijkbaar dat er van bepaalde stoffen als fosfaten meer in Nederland in de Maas terechtkomt dan in België en Frankrijk samen.”

Volgens Lutgen is zijn beleid erop gericht om aan het eind van eeuw de Maas te laten beantwoorden aan de Europese normen voor oppervlaktewater: “Niet omdat wij de Maas voor het drinkwater zo hard nodig hebben, maar om Rotterdam, waar immers ook Europeanen wonen, van goed drinkwater te voorzien. Ik houd er geen rekening mee dat Nederland een groot deel van zijn grondwater met nitraat heeft vervuild en dat het Rijnwater te vuil is om er drinkwater van te maken.”

De vier miljard frank (210 miljoen gulden) die Wallonië nu uittrekt voor de waterzuivering, is lang niet genoeg om de bouw van zuiveringsinstallaties langs de Maas, waarvoor in veertien jaar tijd 100 miljard frank (5,3 miljard gulden) nodig is, te realiseren. “Dat besef ik ook. Wij zullen het tempo moeten terugbrengen of meer middelen vinden.” Zal hij daarbij ook steun vanuit het buitenland accepteren? Lutgen: “Daar valt altijd over te praten, maar dan wel in een andere sfeer.”